Woordenschat · A2
Geld en boodschappen.
In de supermarkt, bij de bakker of bij de kassa: je hebt deze woorden bijna elke dag nodig. Hier leer je woorden over betalen, prijzen en eten.
Oefen met flashcards
Je ziet een Nederlands woord. Weet je wat het betekent? Draai de kaart om en kijk of je het goed had. Daarna kies je: ken ik, of nog niet.
Alle woorden van dit thema
Een zelfstandig naamwoord leer je altijd met de of het erbij. Dat heb je nodig om goede zinnen te maken.
- het geldthe money
Ik heb geld nodig voor de bus.
- betalento pay
Ik ga nu betalen.
- pinnento pay by card
Kan ik hier pinnen?
- de pinpasthe debit card
Ik betaal met mijn pinpas, want ik heb geen contant geld.
- contantcash
Ik betaal contant.
- gepastexact (amount)
Heeft u het gepast? Dan hoef ik geen wisselgeld te geven.
- de muntthe coin
Ik heb een munt van twee euro.
- het wisselgeldthe change
De verkoper gaf mij twee euro wisselgeld terug.
- wisselento change money
Kunt u twintig euro wisselen?
- de creditcardthe credit card
In deze winkel kun je niet met een creditcard betalen.
- de portemonneethe wallet
Mijn geld zit in mijn portemonnee.
- de bankrekeningthe bank account
Het geld staat al op mijn bankrekening.
- de rekeningthe bank account
Het geld staat op mijn rekening.
- sparento save (money)
Wij sparen voor een nieuwe auto.
- de prijsthe price
Wat is de prijs van dit brood?
- duurexpensive
Die auto is erg duur.
- goedkoopcheap
Bananen zijn vaak goedkoop.
- de kortingthe discount
Ik krijg vijftig procent korting.
- de aanbiedingthe special offer
Dit product is in de aanbieding.
- gratisfree
Vandaag is de koffie gratis.
- de bonthe receipt
Wilt u de bon mee?
- het bonnetjethe receipt
Wilt u het bonnetje bewaren als u iets wilt ruilen?
- de kassabonthe sales receipt
De kassabon zit in de tas bij de boodschappen.
- verkopento sell
Winkels verkopen producten.
- de bestellingthe order
Mijn bestelling wordt morgen thuisbezorgd.
- de winkelthe shop
Deze winkel verkoopt kleren.
- de supermarktthe supermarket
Ik koop eten in de supermarkt.
- de boodschappenthe groceries
De boodschappen staan op tafel.
- de kassathe checkout / cashier
Ik betaal bij de kassa.
- het mandjethe basket
Ik pak een mandje voor mijn appels.
- de tasthe bag
Ik heb een tas voor de boodschappen.
- de bakkerthe baker, bakery
Ik koop elke ochtend vers brood bij de bakker.
- de slagerthe butcher
Bij de slager halen we vlees voor het avondeten.
- de groenteboerthe greengrocer
De groenteboer op de markt verkoopt goedkope appels.
- de drogistthe drugstore, chemist
Tandpasta en shampoo koop ik bij de drogist.
- de groentethe vegetables
Eet elke dag verse groente.
- het fruitthe fruit
Appels en peren zijn fruit.
- het vleesthe meat
Ik koop vlees bij de slager.
- de zuivelthe dairy
Melk en kaas zijn zuivel.
- de melkthe milk
Ik drink melk bij het ontbijt.
- de kaasthe cheese
Nederlandse kaas is erg lekker.
- het eithe egg
Ik koop een doos eieren.
Zo zeg je een prijs
Bij een prijs zeg je eerst de euro’s en dan de centen. Het woord cent laat je meestal weg.
- € 2,50
- twee euro vijftig
- € 0,99
- negenennegentig cent
- € 12,00
- twaalf euro
- Kan ik pinnen?
- vraag het bij de kassa
cursus.nl
Meer woorden leren met Inburgeringscursus.nl
Deze woorden komen uit de woordtrainer van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Op deze site oefen je per thema. In de cursus oefen je alle woorden, van A2 tot B2.
- Ruim 3.000 woorden, met uitspraak bij elk woord en elke zin.
- Elk woord komt terug op het moment dat je het bijna vergeet.
- Je ziet welke woorden je nog lastig vindt.
De cursus is betaald. De woordenlijsten op deze site blijven gratis.
Bekijk de cursusInburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.