Een gewone bijzin heeft een eigen onderwerp en een eigen werkwoord: Toen ik gegeten had, ging ik weg. Een beknopte bijzin is korter. Het onderwerp valt weg. Het werkwoord krijgt een andere vorm: Na gegeten te hebben, ging ik weg. Beknopt betekent kort.
Je kent te + infinitief misschien al: ik probeer te slapen. Een infinitief is het hele werkwoord, zoals slapen of werken. Op deze pagina komen er drie vormen bij: om ... te, door/zonder/na ... te en een zin met een deelwoord.
Drie soorten beknopte bijzinnen
| Soort | Beknopt | Met een gewone bijzin |
|---|---|---|
| om ... te (een doel) | Hij rende om de trein te halen. | Hij rende, want hij wilde de trein halen. |
| door, zonder of na ... te | Door hard te oefenen, werd zij pianist. | Doordat zij hard oefende, werd zij pianist. |
| met een deelwoord | Lachend om de grap, liep hij de trap op. | Terwijl hij om de grap lachte, liep hij de trap op. |
Om te of alleen te?
Gebruik om ... te voor een doel. Het deel geeft dan antwoord op de vraag waarom of waarvoor. Om komt ook na een zelfstandig naamwoord: een ladder om het raam te bereiken. Na te + een bijvoeglijk naamwoord komt ook om: Hij is te verlegen om iets te vragen.
Soms maakt de te-infinitief alleen een werkwoord af. Je noemt dan geen doel. Dan komt er geen om. Dat geldt voor blijken, lijken, schijnen en beginnen. Ook na hopen, durven en weigeren gebruik je alleen te.
Een doel: om ... te
- Hij rende naar het perron om de trein te halen.
- We hebben een ladder nodig om het raam te bereiken.
- Hij is te verlegen om iets te vragen.
Het werkwoord vraagt te
- De cijfers blijken te kloppen.
- De situatie dreigde te ontsporen.
- Het kind begon te huilen.
- Zij hoopt te verhuizen.
Door, zonder en na
Een voorzetsel met te + infinitief kan een hele bijzin vervangen. Een voorzetsel is een klein woord als door, met of na. Het onderwerp laat je weg.
| Woord | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| door | zo bereik je iets | Door elke dag te lezen, leerde ze snel Nederlands. |
| zonder | iets gebeurt niet | Zonder iets te zeggen, liep hij weg. |
| na | iets is al klaar | Na gegeten te hebben, vertrok ze. |
Let goed op bij na. De handeling is dan al voorbij. Daarom gebruik je de voltooide vorm: het voltooid deelwoord plus te hebben of te zijn. Kies hetzelfde hulpwerkwoord als in de voltooide tijd.
| Voltooide tijd | Na ... te |
|---|---|
| Ik heb de test gemaakt. | Na de test gemaakt te hebben, ... |
| Ik ben op het perron aangekomen. | Na op het perron aangekomen te zijn, ... |
| Ik ben van de fiets gevallen. | Na van de fiets gevallen te zijn, ... |
| Ik heb in de zee gezwommen. | Na in de zee gezwommen te hebben, ... |
Een zin met een deelwoord
Een beknopte bijzin kan ook met een deelwoord beginnen. Het onvoltooid deelwoord is het hele werkwoord plus -d: lachend, zwaaiend. Het laat zien dat twee dingen tegelijk gebeuren.
- Lachend om de grap, liep hij de trap op.Hij lacht en hij loopt.
- Zwaaiend naar de boot, stonden we op de kade.Wij zwaaien en wij staan.
Een voltooid deelwoord laat zien dat iets al gebeurd is: Gewaarschuwd door de buren, belde hij de politie. Soms begint de beknopte bijzin met een bijvoeglijk naamwoord: Bang voor de hond, bleef het kind binnen. Zulke zinnen zijn formeel. Je ziet ze vooral in geschreven teksten.
De valkuil: wie doet het?
Het onderwerp van de beknopte bijzin zie je niet. De lezer neemt daarom het onderwerp van de hoofdzin. Dat onderwerp moet de handeling dus echt kunnen doen. Klopt dat niet? Dan heet het een foutieve beknopte bijzin.
Goed: hetzelfde onderwerp
- Na uren gereisd te hebben, wilden de gasten alleen nog slapen.
- Verbaasd over de rekening, vroeg de klant om uitleg.
- Door hard te oefenen, werd zij een goede pianist.
Fout: het onderwerp klopt niet
- Na uren gereisd te hebben, was het hotel ver. (Het hotel heeft niet gereisd.)
- Verbaasd over de rekening, klopte het bedrag niet. (Een bedrag is niet verbaasd.)
- Door hard te oefenen, klonk de muziek mooier. (Muziek oefent niet.)
Zo los je een foutieve beknopte bijzin op. Maak er een gewone bijzin van, met een eigen onderwerp: Toen ik over straat liep, viel mijn tas. Of verander de hoofdzin, zodat het goede onderwerp erin staat: Lopend over straat liet ik mijn tas vallen.