Op A2 leer je de basis van de woordvolgorde. In een hoofdzin staat het werkwoord op plek 2. Na een tijd of plaats vooraan komt eerst het werkwoord: dat heet inversie. In een bijzin staat het werkwoord achteraan. Op B2 komen er geen nieuwe regels bij. Je past dezelfde regels toe in lange zinnen.
Een zin met een hoofdzin en een bijzin heet een samengestelde zin. Hoe langer de zin wordt, hoe makkelijker je een regel vergeet. Op deze pagina lees je de drie plekken waar het vaak misgaat.
De persoonsvorm: het werkwoord dat telt
De regels op deze pagina gaan over de persoonsvorm. Dat is het werkwoord dat bij het onderwerp hoort. Hij laat ook de tijd zien: is, was, heeft, kan. In de hoofdzin staat de persoonsvorm op plek 2. In de bijzin staat hij achteraan.
| Soort zin | Waar staat de persoonsvorm? | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Hoofdzin | op plek 2 | Hij verhuist volgende week. |
| Bijzin | achteraan | ... dat hij volgende week verhuist. |
Een bijzin vooraan telt als plek 1
Je kunt een zin met de bijzin beginnen. Die hele bijzin telt dan als één plek: plek 1. Het werkwoord van de hoofdzin moet op plek 2. Dus komt het meteen na de komma. Het onderwerp komt daarna.
Goed: eerst het werkwoord
- Omdat het regende, bleef ik thuis.
- Toen ik thuiskwam, was het al donker.
- Als de winkel dicht is, kun je het online bestellen.
Fout: eerst het onderwerp
- Omdat het regende, ik bleef thuis.
- Toen ik thuiskwam, het was al donker.
- Als de winkel dicht is, je kunt het online bestellen.
Dit geldt na elk woord dat een bijzin begint. Denk aan omdat, doordat, als, toen, voordat, hoewel en zodra.
- Doordat de lift kapot was, moesten we de trap nemen.
- Voordat de les begon, pakte zij haar boeken.
- Hoewel het laat was, ging hij door met werken.
- Zodra ik het weet, bel ik je.
In de bijzin blijft het werkwoord achteraan
Na dat, omdat, als, of en andere voegwoorden gaat de persoonsvorm naar het einde. Dat blijft zo, hoe lang de bijzin ook wordt. Zelfs als er een tweede bijzin in zit.
| Bijzin | Voorbeeld |
|---|---|
| kort | ... dat hij verhuist. |
| langer | ... dat hij volgende week met zijn gezin naar Utrecht verhuist. |
| met een tweede bijzin erin | ... dat de man die naast ons woont volgende week verhuist. |
| met twee werkwoorden | ... dat we volgende week eerder kunnen beginnen. |
| een vraag met of | Hij vroeg of ik de deur kon openen. |
Het werkwoord past bij het echte onderwerp
In een lange bijzin staat het werkwoord soms ver van het onderwerp. Dan gaat het makkelijk mis met enkelvoud en meervoud. Kijk altijd naar het echte onderwerp. Dat is niet altijd het woord dat vlak voor het werkwoord staat.
| Bijzin | Onderwerp | Werkwoord |
|---|---|---|
| ... dat de eigenaar van die twee winkels veel verdient. | de eigenaar (één) | verdient |
| ... dat de toeristen in dat oude hotel vaak klagen. | de toeristen (meer) | klagen |
| ... dat de man die naast ons woont verhuist. | de man (één) | verhuist |
| ... dat de mensen die in dat huis wonen verhuizen. | de mensen (meer) | verhuizen |