Met deze, die, dit en dat wijs je iets aan: deze jas, dat huis. Ze heten aanwijzende voornaamwoorden. Welk woord je kiest, hangt af van twee dingen. Is het woord een de-woord of een het-woord? Is het dichtbij of ver weg?
De vier woorden
Er zijn maar vier aanwijzende voornaamwoorden. In dit schema zie je ze alle vier.
| De-woord | Het-woord | |
|---|---|---|
| Dichtbij | deze jas, deze trein | dit huis, dit glas |
| Ver weg | die jas, die trein | dat huis, dat glas |
Dichtbij of ver weg?
Dichtbij is bij jou: je kunt het zien of bijna pakken. Ver weg is verder van je af, of bij de ander. Het werkt ook met tijd. Dichtbij is nu, ver weg is vroeger.
- Deze tas is van mij.De tas staat naast je.
- Die tas daar is van mijn zus.De tas staat verderop.
- Dit jaar ga ik op vakantie.Het jaar van nu.
- Dat jaar woonde ik nog bij mijn ouders.Een jaar in het verleden.
Twee regels zonder uitzondering
Twijfel je over het lidwoord? Bij deze twee groepen weet je het altijd zeker.
Meervoud: deze of die
- Een woord in het meervoud is altijd een de-woord.
- Het boek, maar deze boeken.
- Het kind, maar die kinderen.
Verkleinwoord: dit of dat
- Een verkleinwoord op -je is altijd een het-woord.
- De tas, maar dit tasje.
- Ook bij personen: dat meisje.
Die en dat als los woord
Je kunt die en dat ook gebruiken zonder zelfstandig naamwoord erachter. Ze staan dan voor iets wat je al kent of al genoemd hebt. Dat hoor je vaak in gesprekken.
- Ken je mijn buurman? Ja, die is aardig.Die is de buurman: een de-woord.
- Wat is dat? Dat is een pen.Je weet nog niet wat het is. Dan zeg je dat.
- Dat klopt.Dat is wat de ander net zei.
Zo kies je in twee stappen
- Is het een de-woord of een meervoud? Dan kies je tussen deze en die. Is het een het-woord? Dan kies je tussen dit en dat.
- Is het dichtbij? Dan wordt het deze of dit. Is het ver weg? Dan wordt het die of dat.