Naar de inhoud

Grammatica · A2

Deze, die, dit, dat: zo wijs je iets aan.

Bij een de-woord kies je deze (dichtbij) of die (ver weg). Bij een het-woord kies je dit (dichtbij) of dat (ver weg). Het meervoud krijgt altijd deze of die.

4 minuten lezenNaar de 20 vragen

Met deze, die, dit en dat wijs je iets aan: deze jas, dat huis. Ze heten aanwijzende voornaamwoorden. Welk woord je kiest, hangt af van twee dingen. Is het woord een de-woord of een het-woord? Is het dichtbij of ver weg?

De vier woorden

Er zijn maar vier aanwijzende voornaamwoorden. In dit schema zie je ze alle vier.

De of het, dichtbij of ver weg
De-woordHet-woord
Dichtbijdeze jas, deze treindit huis, dit glas
Ver wegdie jas, die treindat huis, dat glas

Dichtbij of ver weg?

Dichtbij is bij jou: je kunt het zien of bijna pakken. Ver weg is verder van je af, of bij de ander. Het werkt ook met tijd. Dichtbij is nu, ver weg is vroeger.

  • Deze tas is van mij.De tas staat naast je.
  • Die tas daar is van mijn zus.De tas staat verderop.
  • Dit jaar ga ik op vakantie.Het jaar van nu.
  • Dat jaar woonde ik nog bij mijn ouders.Een jaar in het verleden.

Twee regels zonder uitzondering

Twijfel je over het lidwoord? Bij deze twee groepen weet je het altijd zeker.

Meervoud: deze of die

  • Een woord in het meervoud is altijd een de-woord.
  • Het boek, maar deze boeken.
  • Het kind, maar die kinderen.

Verkleinwoord: dit of dat

  • Een verkleinwoord op -je is altijd een het-woord.
  • De tas, maar dit tasje.
  • Ook bij personen: dat meisje.

Die en dat als los woord

Je kunt die en dat ook gebruiken zonder zelfstandig naamwoord erachter. Ze staan dan voor iets wat je al kent of al genoemd hebt. Dat hoor je vaak in gesprekken.

  • Ken je mijn buurman? Ja, die is aardig.Die is de buurman: een de-woord.
  • Wat is dat? Dat is een pen.Je weet nog niet wat het is. Dan zeg je dat.
  • Dat klopt.Dat is wat de ander net zei.

Zo kies je in twee stappen

  1. Is het een de-woord of een meervoud? Dan kies je tussen deze en die. Is het een het-woord? Dan kies je tussen dit en dat.
  2. Is het dichtbij? Dan wordt het deze of dit. Is het ver weg? Dan wordt het die of dat.

Oefen: deze, die, dit of dat?

20 woorden. Boven elk woord staat of het dichtbij is of ver weg. Kies het goede woord. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Kies deze, die, dit of dat.

  1. 1.

    dichtbij

    ... glas.

    deze · dit · die · dat

  2. 2.

    ver weg

    ... trein.

    deze · dit · die · dat

  3. 3.

    dichtbij

    ... schoenen.

    deze · dit · die · dat

  4. 4.

    ver weg

    ... ei.

    deze · dit · die · dat

  5. 5.

    dichtbij

    ... jas.

    deze · dit · die · dat

  6. 6.

    ver weg

    ... jongens.

    deze · dit · die · dat

  7. 7.

    dichtbij

    ... recept.

    deze · dit · die · dat

  8. 8.

    ver weg

    ... deur.

    deze · dit · die · dat

  9. 9.

    ver weg

    ... kantoor.

    deze · dit · die · dat

  10. 10.

    dichtbij

    ... vrienden.

    deze · dit · die · dat

  11. 11.

    dichtbij

    ... appel.

    deze · dit · die · dat

  12. 12.

    ver weg

    ... brood.

    deze · dit · die · dat

  13. 13.

    ver weg

    ... winkels.

    deze · dit · die · dat

  14. 14.

    dichtbij

    ... station.

    deze · dit · die · dat

  15. 15.

    ver weg

    ... bomen.

    deze · dit · die · dat

  16. 16.

    dichtbij

    ... tas.

    deze · dit · die · dat

  17. 17.

    ver weg

    ... papier.

    deze · dit · die · dat

  18. 18.

    dichtbij

    ... pakje.

    deze · dit · die · dat

  19. 19.

    ver weg

    ... stadhuis.

    deze · dit · die · dat

  20. 20.

    ver weg

    ... collega.

    deze · dit · die · dat

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over deze, die, dit en dat

Wat zijn aanwijzende voornaamwoorden?

Dat zijn de woorden deze, die, dit en dat. Je wijst er iets mee aan: deze jas, dat huis. Je kiest het woord op basis van het lidwoord en de afstand.

Wanneer gebruik je deze en wanneer dit?

Allebei gebruik je voor iets wat dichtbij is. Deze is voor een de-woord of een meervoud: deze jas, deze schoenen. Dit is voor een het-woord: dit huis.

Wat is het verschil tussen die en dat?

Allebei gebruik je voor iets wat ver weg is. Die is voor een de-woord of een meervoud: die trein, die bomen. Dat is voor een het-woord: dat kantoor.

Zeg je dit meisje of deze meisje?

Dit meisje. Meisje is een verkleinwoord. Verkleinwoorden zijn altijd een het-woord, ook als het over een persoon gaat. Ver weg is het dus dat meisje.

Waarom zeg je "dit zijn mijn kinderen" en niet "deze zijn"?

Stel je iemand voor met zijn, dan gebruik je dit of dat. Dat geldt ook bij meervoud. Staat het woord er direct achter, dan zeg je wel: deze kinderen.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.