In een zin is het onderwerp wie iets doet: ik help Jan. Soms doet iemand anders iets met jou: Jan helpt mij. Dan ben je het voorwerp van de zin. Het voorwerp is de persoon of het ding waar iets mee gebeurt. Voor het voorwerp gebruik je andere woorden: mij, jou, hem, haar, ons.
Alle vormen op een rij
Links staat het voornaamwoord als onderwerp. In het midden staat de vorm als voorwerp. Sommige vormen hebben ook een korte vorm voor gewone spreektaal.
| Onderwerp | Voorwerp | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ik | mij / me | Jan helpt mij. |
| jij | jou / je | Ik bel je morgen. |
| u | u | Mag ik u iets vragen? |
| hij | hem | Ken je hem? |
| zij (een vrouw) | haar | Ik zie haar vanavond. |
| het | het | Het formulier? Ik vul het in. |
| wij | ons | De buurman helpt ons. |
| jullie | jullie | Ik zie jullie straks. |
| zij (meer mensen) | hen / ze | Ik bel ze vanavond. |
Mij of me, jou of je?
Mij en me betekenen hetzelfde. Dat geldt ook voor jou en je. In gewone zinnen zeg je meestal de korte vorm: Hij belt me. De lange vorm gebruik je als je nadruk wilt.
- Kun je me even helpen?Gewone vraag, korte vorm.
- Hij bedoelt mij, niet jou.Nadruk: mij en niet iemand anders.
- Ik zie je morgen.Gewone zin, korte vorm.
- Dit cadeau is voor jou.Na een woord als voor of met hoor je vaak de lange vorm.
Hem, het of ze voor een ding
Gaat het voorwerp over een ding? Dan kijk je naar het lidwoord. Een de-woord wordt hem. Een het-woord wordt het. In het meervoud gebruik je ze.
| Woord | Voorwerp | Voorbeeld |
|---|---|---|
| de film (de-woord) | hem | De film? Ik zie hem vanavond. |
| de sleutel (de-woord) | hem | Waar is de sleutel? Ik zoek hem. |
| het boek (het-woord) | het | Het boek? Ik lees het. |
| de boeken (meervoud) | ze | De boeken? Ik koop ze. |
Hen, hun of ze?
Voor meer mensen heb je in de schrijftaal twee vormen. Hen gebruik je als er iets met de mensen gebeurt: Ik zie hen. Je gebruikt hen ook na een woord als met of voor: Ik praat met hen. Hun gebruik je als iemand iets krijgt: Ik geef hun een boek.
Hen
- Ik zie hen.
- Ik help hen.
- Ik ga met hen naar de markt.
Hun
- Ik geef hun een boek.
- Ik stuur hun een kaartje.
- Ik vertel hun het nieuws.
Twijfel je? Zeg dan ze. Dat is altijd goed in spreektaal: Ik zie ze. Ik geef ze een boek. Zeg nooit hun als onderwerp. De zin "Hun hebben een auto" is fout. Het is: Zij hebben een auto.