Naar de inhoud

Grammatica · A2

Mij, jou, hem: het voornaamwoord als voorwerp.

Gebeurt er iets met een persoon? Dan gebruik je een andere vorm dan ik, jij of hij: Jan ziet mij. Zo wordt hij hem en wij ons. Voor een ding kijk je naar het lidwoord: een de-woord wordt hem, een het-woord wordt het.

5 minuten lezenNaar de 20 vragen

In een zin is het onderwerp wie iets doet: ik help Jan. Soms doet iemand anders iets met jou: Jan helpt mij. Dan ben je het voorwerp van de zin. Het voorwerp is de persoon of het ding waar iets mee gebeurt. Voor het voorwerp gebruik je andere woorden: mij, jou, hem, haar, ons.

Alle vormen op een rij

Links staat het voornaamwoord als onderwerp. In het midden staat de vorm als voorwerp. Sommige vormen hebben ook een korte vorm voor gewone spreektaal.

Van onderwerp naar voorwerp
OnderwerpVoorwerpVoorbeeld
ikmij / meJan helpt mij.
jijjou / jeIk bel je morgen.
uuMag ik u iets vragen?
hijhemKen je hem?
zij (een vrouw)haarIk zie haar vanavond.
hethetHet formulier? Ik vul het in.
wijonsDe buurman helpt ons.
julliejullieIk zie jullie straks.
zij (meer mensen)hen / zeIk bel ze vanavond.

Mij of me, jou of je?

Mij en me betekenen hetzelfde. Dat geldt ook voor jou en je. In gewone zinnen zeg je meestal de korte vorm: Hij belt me. De lange vorm gebruik je als je nadruk wilt.

  • Kun je me even helpen?Gewone vraag, korte vorm.
  • Hij bedoelt mij, niet jou.Nadruk: mij en niet iemand anders.
  • Ik zie je morgen.Gewone zin, korte vorm.
  • Dit cadeau is voor jou.Na een woord als voor of met hoor je vaak de lange vorm.

Hem, het of ze voor een ding

Gaat het voorwerp over een ding? Dan kijk je naar het lidwoord. Een de-woord wordt hem. Een het-woord wordt het. In het meervoud gebruik je ze.

WoordVoorwerpVoorbeeld
de film (de-woord)hemDe film? Ik zie hem vanavond.
de sleutel (de-woord)hemWaar is de sleutel? Ik zoek hem.
het boek (het-woord)hetHet boek? Ik lees het.
de boeken (meervoud)zeDe boeken? Ik koop ze.

Hen, hun of ze?

Voor meer mensen heb je in de schrijftaal twee vormen. Hen gebruik je als er iets met de mensen gebeurt: Ik zie hen. Je gebruikt hen ook na een woord als met of voor: Ik praat met hen. Hun gebruik je als iemand iets krijgt: Ik geef hun een boek.

Hen

  • Ik zie hen.
  • Ik help hen.
  • Ik ga met hen naar de markt.

Hun

  • Ik geef hun een boek.
  • Ik stuur hun een kaartje.
  • Ik vertel hun het nieuws.

Twijfel je? Zeg dan ze. Dat is altijd goed in spreektaal: Ik zie ze. Ik geef ze een boek. Zeg nooit hun als onderwerp. De zin "Hun hebben een auto" is fout. Het is: Zij hebben een auto.

Oefen: mij, jou, hem of haar?

20 korte zinnen uit het dagelijks leven. Kies het voornaamwoord voor de lege plek. Soms zijn twee antwoorden goed, zoals haar en ze. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Kies het goede voornaamwoord.

  1. 1.

    Jan noemt mijn naam. Hij zoekt ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  2. 2.

    Meneer, ik begrijp ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  3. 3.

    Ken jij Jan? Ja, ik ken ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  4. 4.

    Ken jij Anna? Ja, ik ken ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  5. 5.

    Jan en ik zijn hier. De baas groet ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  6. 6.

    Kinderen, ik zie ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  7. 7.

    Ken jij de buren? Ja, ik ken ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  8. 8.

    Zie jij het glas? Ja, ik zie ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  9. 9.

    Heb jij de jas? Ja, ik heb ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  10. 10.

    Ik koop de appels. Ik was ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  11. 11.

    Maria groet mij. Zij helpt ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  12. 12.

    Mevrouw, ik help ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  13. 13.

    Waar is de dokter? Hij is aardig. Ik zie ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  14. 14.

    Waar is mijn tante? Ik zoek ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  15. 15.

    Wij staan klaar. De taxi haalt ... op.

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  16. 16.

    Vrienden, ik zie ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  17. 17.

    Ik help de leerlingen. Ik help ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  18. 18.

    Ik zie het boek. Ik lees ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  19. 19.

    Ik zie de hond. Ik hoor ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

  20. 20.

    Ik heb de sleutels. Ik zie ....

    mij · jou · u · hem · haar · het · ons · jullie · hen · ze

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over mij, jou en hem

Wanneer gebruik je mij en wanneer ik?

Ik gebruik je als jij iets doet: Ik help Jan. Mij gebruik je als iemand anders iets met jou doet: Jan helpt mij.

Is het mij of me?

Allebei is goed. Me is de gewone vorm in spreektaal: Bel me straks. Mij gebruik je voor nadruk: Hij bedoelt mij.

Zeg je hem of het tegen een ding?

Dat hangt af van het lidwoord. Een de-woord wordt hem: De fiets? Ik pak hem. Een het-woord wordt het: Het raam? Ik doe het dicht.

Wat is het verschil tussen hen en hun?

Hen gebruik je als er iets met de mensen gebeurt: Ik zie hen. Hun gebruik je als ze iets krijgen: Ik geef hun een boek. In spreektaal mag je voor allebei ze zeggen.

Mag je hun hebben zeggen?

Nee. Hun is nooit het onderwerp van de zin. Je zegt: Zij hebben honger. Of korter: Ze hebben honger.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.