Naar de inhoud

Grammatica · A2

Werkwoorden vervoegen: ik werk, hij werkt.

In de tegenwoordige tijd past het werkwoord bij het onderwerp. Bij ik gebruik je de stam: ik werk. Bij jij, u, hij en zij komt er een t achter: hij werkt. Bij wij, jullie en zij (meervoud) gebruik je het hele werkwoord: wij werken.

6 minuten lezenNaar de 20 vragen

Met de tegenwoordige tijd zeg je wat er nu gebeurt. Je zegt er ook mee wat je vaak doet: Ik werk in Utrecht. Het werkwoord krijgt een andere vorm bij elk onderwerp. Dat heet vervoegen. Het onderwerp is wie of wat iets doet: ik, jij, de winkel.

Begin bij de stam

Je begint altijd bij de stam. Dat is het werkwoord zonder -en. Werken wordt werk. Drinken wordt drink. Soms verandert de spelling van de stam een beetje. Dat lees je verderop.

Drie vormen

De tegenwoordige tijd van werken
OnderwerpVormVoorbeeld
ikstamik werk
jij, u, hij, zij, hetstam + thij werkt
wij, jullie, zij (meervoud)hele werkwoordwij werken

Een onderwerp als de winkel of mijn zus is één persoon of ding. Dat gaat net als hij of zij: de winkel sluit. De kinderen zijn meer personen. Dat gaat net als zij (meervoud): de kinderen spelen.

Jij en u in een vraag

Bij jij krijgt het werkwoord een t: jij werkt. Staat jij na het werkwoord? Dan valt de t weg. Dat gebeurt in een vraag. Het gebeurt ook als de zin begint met een tijd of plaats. Bij je gaat het net zo: werk je morgen? Bij u blijft de t altijd staan.

Jij na het werkwoord: geen t

  • Werk jij vandaag?
  • Lees jij de krant?
  • Morgen kom jij.

U: de t blijft

  • Werkt u vandaag?
  • Leest u de krant?
  • Morgen komt u.

De spelling van de stam

De stam klinkt hetzelfde als in het hele werkwoord. Daarom schrijf je hem soms anders. Dit zijn de regels.

Spellingregels voor de stam
RegelWerkwoordStamMet t
Lange klank: schrijf de klinker dubbelhalen, lopen, wonenhaal, loop, woonhaalt, loopt, woont
Dubbele medeklinker: schrijf er ééntellen, pakken, missentel, pak, mistelt, pakt, mist
v aan het eind wordt fleven, schrijvenleef, schrijfleeft, schrijft
z aan het eind wordt slezen, reizenlees, reisleest, reist

Eindigt de stam al op een t? Dan komt er geen tweede t bij. Zitten wordt hij zit. Eten wordt hij eet. Kosten wordt het kost.

Een opdracht geven

Wil je dat iemand iets doet? Dan gebruik je alleen de stam: Kom binnen! Wacht even. Beleefd zeg je: Komt u binnen. Dit heet de gebiedende wijs. Je ziet hem vaak op borden en in instructies.

Oefen: vervoeg het werkwoord

20 zinnen. Boven elke zin staat het hele werkwoord. Typ de goede vorm op de lege plek. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Typ de goede vorm van het werkwoord.

  1. 1.

    spelen

    Ik ... in de tuin.

  2. 2.

    lezen

    Zij (enkelvoud) ... een boek.

  3. 3.

    dansen

    ... jij vaak?

  4. 4.

    zingen

    Zij (meervoud) ... een liedje.

  5. 5.

    openen

    U ... de deur.

  6. 6.

    sluiten

    De winkel ... om zes uur.

  7. 7.

    vinden

    Ik ... mijn sleutels.

  8. 8.

    missen

    Wij ... de trein.

  9. 9.

    eten

    Hij ... een appel.

  10. 10.

    verdienen

    U ... veel.

  11. 11.

    tellen

    Ik ... de appels.

  12. 12.

    voelen

    ... jij dat?

  13. 13.

    dragen

    Zij (enkelvoud) ... een jas.

  14. 14.

    brengen

    Zij (meervoud) ... het eten.

  15. 15.

    halen

    Ik ... de kinderen.

  16. 16.

    leven

    Hij ... in Amsterdam.

  17. 17.

    lezen

    ... jij de krant?

  18. 18.

    zoeken

    Zij (meervoud) ... het boek.

  19. 19.

    vertellen

    Jij ... een verhaal.

  20. 20.

    kosten

    Het ... vijf euro.

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over werkwoorden vervoegen

Wat is de stam van een werkwoord?

De stam is het werkwoord zonder -en. Werken wordt werk. Soms verandert de spelling een beetje: halen wordt haal, leven wordt leef.

Wanneer schrijf je een t achter het werkwoord?

Bij jij, u, hij, zij en het: hij werkt. Bij ik niet: ik werk. Ook niet als jij na het werkwoord staat: werk jij? Eindigt de stam al op een t? Dan komt er geen tweede t bij.

Is het hij vind of hij vindt?

Hij vindt. De stam is vind. Bij hij komt daar een t achter. Dat de stam op een d eindigt, maakt niet uit. Bij ik schrijf je alleen de stam: ik vind.

Waarom is het werk jij en niet werkt jij?

Als jij na het werkwoord staat, valt de t weg. Dat gebeurt in een vraag. Het gebeurt ook als een tijd of plaats vooraan staat. Bij u blijft de t wel staan: werkt u?

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.