Een hoofdletter is een grote letter: A, B, C. Een kleine letter is a, b, c. In het Engels krijgen maanden en dagen een hoofdletter: January, Monday. In het Nederlands niet. Dat is een fout die veel mensen maken.
Met een kleine letter
- Maanden: januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december.
- Dagen: maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag, zondag.
- Seizoenen: de lente, de zomer, de herfst, de winter.
- De woorden ik en u. Dat is anders dan in het Engels (I).
- Woorden als de gemeente, de dokter, de school. Dat zijn geen namen.
Zo schrijf je het
- Mijn afspraak is op dinsdag 4 maart.
- In de zomer ga ik naar mijn familie.
- Kunt u mij morgen bellen?
Met een hoofdletter
- Het eerste woord van een zin: Morgen ga ik werken. Ook als dat een dag is: Maandag heb ik vrij.
- Namen van personen: Fatima, meneer Jansen.
- Namen van plaatsen, straten en landen: Utrecht, de Kerkstraat, Syrië.
- Talen: Nederlands, Engels, Arabisch.
- Woorden die bij een land horen: Nederlandse kaas, een Turkse winkel, hij is Pools.
- Feestdagen: Koningsdag, Pasen, Kerstmis, het Suikerfeest.
- Namen van organisaties: DUO, de Belastingdienst.
Een brief of e-mail beginnen
Na de aanhef zet je een komma. Op de volgende regel begin je met een hoofdletter. Dat is een nieuwe zin.
- Beste Sanne,
- Ik kom morgen om tien uur.
Achternamen met de, van of van der
Staat de voornaam ervoor? Dan schrijf je het woordje klein: Jan de Vries. Zonder voornaam schrijf je het met een hoofdletter: meneer De Vries.