Een klok heeft een kleine wijzer en een grote wijzer. De kleine wijzer laat het uur zien. De grote wijzer laat de minuten zien. Op een telefoon of een treinkaartje zie je de tijd vaak met cijfers: 14.30 uur.
De vier vaste punten
| Tijd | Zo zeg je het |
|---|---|
| 3.00 uur | drie uur |
| 3.15 uur | kwart over drie |
| 3.30 uur | half vier |
| 3.45 uur | kwart voor vier |
De minuten ertussen
Voor de minuten gebruik je over (na) en voor (nog niet). Tot kwart over tel je vanaf het hele uur. Rond het halve uur tel je vanaf half. Na kwart voor tel je naar het volgende hele uur.
| Tijd | Zo zeg je het |
|---|---|
| 3.05 uur | vijf over drie |
| 3.10 uur | tien over drie |
| 3.20 uur | tien voor half vier |
| 3.25 uur | vijf voor half vier |
| 3.35 uur | vijf over half vier |
| 3.40 uur | tien over half vier |
| 3.50 uur | tien voor vier |
| 3.55 uur | vijf voor vier |
Tijd in cijfers: 24 uur
Op een kaartje, een rooster of een scherm staat de tijd vaak met 24 uur. Na twaalf uur tel je door: 13.00 uur is één uur in de middag. Bij het zeggen gebruik je meestal gewoon de klok: om 14.30 uur zeg je half drie.
- De trein vertrekt om 14.30 uur.Zeg: om half drie.
- De huisarts is open van 8.00 tot 17.00 uur.Zeg: van acht uur tot vijf uur.
- De les begint om 19.45 uur.Zeg: om kwart voor acht.
's Ochtends, 's middags, 's avonds
Zeg je de tijd met de klok, dan kun je zeggen welk deel van de dag het is. Dat is handig als het niet duidelijk is.
- 's ochtends of 's morgens: van ongeveer 6 tot 12 uur.
- 's middags: van ongeveer 12 tot 18 uur.
- 's avonds: van ongeveer 18 tot 24 uur.
- 's nachts: van ongeveer 0 tot 6 uur.