In een gewone zin doet het onderwerp iets: De monteur repareert de auto. Dat heet de bedrijvende vorm. In de lijdende vorm draai je het om. Nu staat de auto voorop: De auto wordt gerepareerd. Wie het doet, hoef je niet meer te noemen.
Een ander woord voor de lijdende vorm is passief. Je ziet hem veel in officiële teksten. Bijvoorbeeld in een brief van de gemeente: Uw aanvraag wordt behandeld. Het gaat dan om wat er gebeurt.
Zo maak je de lijdende vorm
Je hebt twee delen nodig. Een vorm van worden of zijn. Daarnaast een voltooid deelwoord. Een voltooid deelwoord ken je al uit de voltooide tijd: gemaakt, betaald, gerepareerd.
Bedrijvend: wie doet het?
- De monteur repareert de auto.
- De gemeente stuurt de brief.
Lijdend: wat gebeurt er?
- De auto wordt gerepareerd.
- De brief wordt gestuurd.
Wil je toch zeggen wie het doet? Gebruik dan door: De brief wordt door de gemeente gestuurd. Vaak laat je dat stukje weg. Het is niet belangrijk, of je weet het niet.
Wordt, werd of is?
Het hulpwerkwoord hangt af van de tijd. Een hulpwerkwoord is het werkwoord dat helpt: hier worden of zijn. Kijk ook of het om één ding gaat of om meer dingen.
| Tijd | Eén ding | Meer dingen | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| nu, of altijd | wordt | worden | De auto wordt gewassen. De auto's worden gewassen. |
| vroeger | werd | werden | De auto werd gisteren gewassen. De auto's werden gewassen. |
| klaar | is | zijn | De auto is al gewassen. De auto's zijn gewassen. |
Kijk naar de woorden in de zin. Ze geven vaak een hint. Bij nu, op dit moment of elke dag past wordt of worden. Bij gisteren of vorige week past werd of werden. Bij al, net of inmiddels past is of zijn.
Worden of zijn: bezig of klaar?
Dit vinden de meeste mensen het moeilijkst. Met worden is iemand nog bezig. Met zijn is het klaar. Je ziet dan het resultaat.
Nog bezig: worden
- De deur wordt geverfd. Iemand staat er nu met een kwast.
- De brief wordt verstuurd. Hij gaat nu weg.
Klaar: zijn
- De deur is geverfd. De verf zit erop.
- De brief is verstuurd. Hij is weg.
Werd of is bij iets van vroeger?
Gaat het over een moment in het verleden? Dan zijn vaak twee vormen goed. De fabriek werd in 2000 gesloten. De fabriek is in 2000 gesloten. Allebei zijn goed Nederlands.
Met werd vertel je wat er toen gebeurde. Met is zeg je vooral dat het klaar is. In de oefening hieronder zie je steeds een tijdwoord. Staat er gisteren of vorige week? Kies dan werd of werden.
Waar staan de werkwoorden?
- In een gewone zin staat het hulpwerkwoord op plek 2. Het voltooid deelwoord staat achteraan: De straat wordt vandaag schoongemaakt.
- In een bijzin staan ze allebei achteraan: Ik weet dat de straat vandaag wordt schoongemaakt.