Naar de inhoud

Grammatica · B1

Het woordje er: er is, ik heb er twee.

Het woordje er heeft vijf taken. Het kan een plaats zijn of een zin beginnen: Er ligt een boek. Het kan bij een getal horen: Ik heb er twee. Met een voorzetsel wordt het erop, eraan of ermee. Voor een persoon gebruik je geen er: aan haar.

8 minuten lezenNaar de 20 vragen

Er is een klein woord. Toch doet het veel verschillende dingen. Het ziet er steeds hetzelfde uit. De taak is steeds anders. Daarom vinden veel mensen het lastig. Op A2 leer je al twee zinnen: Ik woon er. Er is een probleem.

Op B1 leer je alle vijf taken kennen. De belangrijkste is er met een voorzetsel. Een voorzetsel is een klein woord zoals aan, op, met of over. Samen worden ze één woord: eraan, erop, ermee.

De vijf taken van er

TaakVoorbeeldWat betekent er hier?
1. een plaatsIk woon er al jaren.daar
2. aan het beginEr staat iemand voor de deur.er kondigt iets nieuws aan
3. bij een getalIk heb er drie.drie van die dingen
4. met een voorzetselIk denk eraan.aan dat ding
5. zonder onderwerpEr wordt veel gewerkt.er vult de lege plek

1. Er als plaats

Er kan een plaats betekenen. Het is dan een korte vorm van daar. Je gebruikt het voor een plek die je al hebt genoemd.

  • Ken je Utrecht? Ja, ik woon er al tien jaar.
  • Ben je bij de dokter geweest? Ja, ik ben er gisteren geweest.

Wil je de plek extra nadruk geven? Gebruik dan daar: Daar woon ik, niet hier.

2. Er aan het begin van de zin

Met er begin je een zin over iets nieuws. Het onderwerp komt dan later. Dat onderwerp is nog onbekend: een boek, iemand, twee mensen, geen tijd.

  • Er ligt een boek op tafel.
  • Er zijn twee mensen ziek.
  • Er is geen melk meer.

3. Er bij een getal

Noem je een getal of een hoeveelheid, zonder het woord te herhalen? Dan zet je er in de zin. Er staat dan voor dat woord. In het Engels laat je het weg. In het Nederlands moet het erbij.

  • Hoeveel kinderen heb je? Ik heb er twee.
  • Heb je nog eieren? Ja, ik heb er nog een paar.
  • Hoeveel stoelen zijn er? Er zijn er zes.

In de laatste zin staat er twee keer. Dat is goed. De eerste er begint de zin. De tweede er hoort bij het getal.

4. Er met een voorzetsel

Praat je over een ding, na een voorzetsel? Dan zeg je niet "aan het" of "op het". Er en het voorzetsel worden samen één woord.

VoorzetselMet erVoorbeeld
aaneraanHet project is groot. We werken eraan.
operopDe stoel is vrij. Je mag erop zitten.
metermeeDat is mijn pen. Ik schrijf ermee.
overeroverHet plan is nieuw. We praten erover.
vanervanHet feest was leuk. Ik heb ervan genoten.
inerinHier is een tas. Doe je boeken erin.
naarernaarEr is muziek. Ik luister ernaar.

Er en het voorzetsel kunnen ook uit elkaar staan. Er komt dan vroeg in de zin, het voorzetsel later. Ik denk er vaak aan. Ik reken er morgen op. Dat hoor je veel in gewone spreektaal.

Een ding of een persoon?

Dit is de belangrijkste vraag. Er met een voorzetsel gebruik je alleen voor een ding. Gaat het om een persoon? Dan houd je het voorzetsel met hem of haar.

Een ding: er + voorzetsel

  • Het examen is morgen. Ik denk eraan.
  • De bus komt om acht uur. Ik wacht erop.
  • De fiets is nieuw. Ik rijd ermee naar mijn werk.

Een persoon: voorzetsel + hem of haar

  • Mijn moeder is ziek. Ik denk aan haar.
  • Mijn broer komt om acht uur. Ik wacht op hem.
  • De buurman is aardig. Ik praat vaak met hem.

5. Er in een zin zonder onderwerp

Soms zeg je dat er iets gebeurt, zonder dat je zegt wie het doet. Je gebruikt dan worden en een voltooid deelwoord. Zo'n zin heeft geen onderwerp. Daarom begin je hem met er.

  • Er wordt gebeld.
  • Er wordt in Nederland veel gefietst.
  • Er wordt vandaag niet gewerkt.

Lees meer over worden en een voltooid deelwoord op de pagina over de lijdende vorm.

Waar staat er in de zin?

  • Aan het begin van de zin: Er staat iemand voor de deur.
  • Na het werkwoord, bij inversie: Vandaag staat er iemand voor de deur.
  • In een bijzin, vlak na het onderwerp of het voegwoord: Ik weet dat er iemand voor de deur staat.

Oefen: kies de goede vorm met er

20 zinnen. Kies steeds wat past: er, een woord als erop of eraan, of een voorzetsel met hem of haar. Kijk goed: gaat het om een ding of een persoon? Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Kies wat past.

  1. 1.

    ... wordt vanavond laat nog vergaderd op kantoor.

    Eraan · Eronder · Ervan · Er

  2. 2.

    Mijn oma is een bijzondere vrouw. Ik denk elke dag ....

    erop · eraan · aan het · aan haar

  3. 3.

    De ladder staat stevig. Klim maar rustig ....

    erop · op het · erin · op hem

  4. 4.

    ... zit een knoop los aan mijn jas.

    Er · Ervan · Eronder · Erover

  5. 5.

    Het nieuws was een grote schok. We zijn nog ... aan het bijkomen.

    erop · ervan · van het · van hem

  6. 6.

    De jarige is mijn beste vriend. Ik geef het cadeau persoonlijk ....

    aan hem · erop · aan het · eraan

  7. 7.

    Wat een handige zaklamp. Ik schijn ... in de donkere kelder.

    met hem · erin · ermee · met het

  8. 8.

    ... hangen donkere wolken boven de stad.

    Erin · Eraan · Ermee · Er

  9. 9.

    ... wordt in de zomer veel gefietst in Nederland.

    Er · Eronder · Eraan · Erop

  10. 10.

    De afspraak staat vast. Je kunt ... rekenen dat ik kom.

    op hem · erop · op het · eraan

  11. 11.

    De monteur weet veel van auto's. Ik overleg even ....

    erover · met hem · ermee · met het

  12. 12.

    Hoeveel gasten passen er aan tafel? Er passen ... maar zes.

    eronder · ervan · er · erover

  13. 13.

    ... groeit onkruid tussen de tegels.

    Er · Ervan · Eronder · Erover

  14. 14.

    Mijn tante is ziek. Ik stuur een kaartje ....

    aan haar · eraan · erop · aan het

  15. 15.

    Het project loopt al maanden. Het hele team werkt ....

    aan het · aan hem · eraan · erover

  16. 16.

    Heb je nog batterijen? Ja, ik heb ... nog een paar in de la.

    eronder · erover · er · ervan

  17. 17.

    Hoeveel klontjes suiker wil je in je thee? Doe ... maar twee in.

    eraan · er · ermee · erop

  18. 18.

    De nieuwe regels zijn streng. De directeur praat morgen ... met het personeel.

    erover · over het · over hem · eraan

  19. 19.

    Hoeveel kaarten wil je? Ik neem ... drie, alsjeblieft.

    erover · ernaar · ervan · er

  20. 20.

    ... wordt op het schoolplein gevoetbald.

    Ermee · Er · Eronder · Eraan

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over het woordje er

Wanneer gebruik je er?

Er heeft vijf taken. Het kan een plaats zijn: Ik woon er. Het begint een zin over iets nieuws: Er is een probleem. Het hoort bij een getal: Ik heb er twee. Met een voorzetsel wordt het erop of eraan. Het begint een zin zonder onderwerp: Er wordt gewerkt.

Wat is het verschil tussen eraan en aan het?

Voor een ding zeg je eraan: Ik denk eraan. Aan het zeg je dan niet. Voor een persoon zeg je aan hem of aan haar.

Waarom zeg je ik heb er twee?

Noem je een getal zonder het woord te herhalen? Dan moet er in de zin. Hoeveel kinderen heb je? Ik heb er twee. Zonder er klinkt de zin niet goed.

Zeg je eraan voor een persoon?

Nee. Voor een persoon gebruik je het voorzetsel met hem of haar: Ik denk aan haar. Ik praat met hem. Eraan, erop en ermee zijn alleen voor dingen.

Wanneer begin je een zin met er?

Als het onderwerp iets nieuws of onbekends is: Er ligt een boek op tafel. Ook in een zin zonder onderwerp met worden: Er wordt gebeld. Is het onderwerp al bekend? Dan geen er: Het boek ligt op tafel.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.