Er is een klein woord. Toch doet het veel verschillende dingen. Het ziet er steeds hetzelfde uit. De taak is steeds anders. Daarom vinden veel mensen het lastig. Op A2 leer je al twee zinnen: Ik woon er. Er is een probleem.
Op B1 leer je alle vijf taken kennen. De belangrijkste is er met een voorzetsel. Een voorzetsel is een klein woord zoals aan, op, met of over. Samen worden ze één woord: eraan, erop, ermee.
De vijf taken van er
| Taak | Voorbeeld | Wat betekent er hier? |
|---|---|---|
| 1. een plaats | Ik woon er al jaren. | daar |
| 2. aan het begin | Er staat iemand voor de deur. | er kondigt iets nieuws aan |
| 3. bij een getal | Ik heb er drie. | drie van die dingen |
| 4. met een voorzetsel | Ik denk eraan. | aan dat ding |
| 5. zonder onderwerp | Er wordt veel gewerkt. | er vult de lege plek |
1. Er als plaats
Er kan een plaats betekenen. Het is dan een korte vorm van daar. Je gebruikt het voor een plek die je al hebt genoemd.
- Ken je Utrecht? Ja, ik woon er al tien jaar.
- Ben je bij de dokter geweest? Ja, ik ben er gisteren geweest.
Wil je de plek extra nadruk geven? Gebruik dan daar: Daar woon ik, niet hier.
2. Er aan het begin van de zin
Met er begin je een zin over iets nieuws. Het onderwerp komt dan later. Dat onderwerp is nog onbekend: een boek, iemand, twee mensen, geen tijd.
- Er ligt een boek op tafel.
- Er zijn twee mensen ziek.
- Er is geen melk meer.
3. Er bij een getal
Noem je een getal of een hoeveelheid, zonder het woord te herhalen? Dan zet je er in de zin. Er staat dan voor dat woord. In het Engels laat je het weg. In het Nederlands moet het erbij.
- Hoeveel kinderen heb je? Ik heb er twee.
- Heb je nog eieren? Ja, ik heb er nog een paar.
- Hoeveel stoelen zijn er? Er zijn er zes.
In de laatste zin staat er twee keer. Dat is goed. De eerste er begint de zin. De tweede er hoort bij het getal.
4. Er met een voorzetsel
Praat je over een ding, na een voorzetsel? Dan zeg je niet "aan het" of "op het". Er en het voorzetsel worden samen één woord.
| Voorzetsel | Met er | Voorbeeld |
|---|---|---|
| aan | eraan | Het project is groot. We werken eraan. |
| op | erop | De stoel is vrij. Je mag erop zitten. |
| met | ermee | Dat is mijn pen. Ik schrijf ermee. |
| over | erover | Het plan is nieuw. We praten erover. |
| van | ervan | Het feest was leuk. Ik heb ervan genoten. |
| in | erin | Hier is een tas. Doe je boeken erin. |
| naar | ernaar | Er is muziek. Ik luister ernaar. |
Er en het voorzetsel kunnen ook uit elkaar staan. Er komt dan vroeg in de zin, het voorzetsel later. Ik denk er vaak aan. Ik reken er morgen op. Dat hoor je veel in gewone spreektaal.
Een ding of een persoon?
Dit is de belangrijkste vraag. Er met een voorzetsel gebruik je alleen voor een ding. Gaat het om een persoon? Dan houd je het voorzetsel met hem of haar.
Een ding: er + voorzetsel
- Het examen is morgen. Ik denk eraan.
- De bus komt om acht uur. Ik wacht erop.
- De fiets is nieuw. Ik rijd ermee naar mijn werk.
Een persoon: voorzetsel + hem of haar
- Mijn moeder is ziek. Ik denk aan haar.
- Mijn broer komt om acht uur. Ik wacht op hem.
- De buurman is aardig. Ik praat vaak met hem.
5. Er in een zin zonder onderwerp
Soms zeg je dat er iets gebeurt, zonder dat je zegt wie het doet. Je gebruikt dan worden en een voltooid deelwoord. Zo'n zin heeft geen onderwerp. Daarom begin je hem met er.
- Er wordt gebeld.
- Er wordt in Nederland veel gefietst.
- Er wordt vandaag niet gewerkt.
Lees meer over worden en een voltooid deelwoord op de pagina over de lijdende vorm.
Waar staat er in de zin?
- Aan het begin van de zin: Er staat iemand voor de deur.
- Na het werkwoord, bij inversie: Vandaag staat er iemand voor de deur.
- In een bijzin, vlak na het onderwerp of het voegwoord: Ik weet dat er iemand voor de deur staat.