Met een modaal werkwoord zeg je iets over een ander werkwoord. Wil je het? Kun je het? Moet het? Mag het? Er zijn vier modale werkwoorden: willen, kunnen, moeten en mogen. Je gebruikt ze heel vaak.
Vier werkwoorden, vier betekenissen
| Werkwoord | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| willen | je wilt iets graag | Ik wil koffie. |
| kunnen | je weet hoe het moet, of het is mogelijk | Ik kan fietsen. |
| moeten | het is nodig of verplicht | Ik moet werken. |
| mogen | het is toegestaan | Mag ik hier zitten? |
De vormen
Willen, kunnen en mogen volgen de gewone regel niet. Je zegt hij kan, niet hij kunt. Hij wil en hij mag krijgen ook geen t. Moeten gaat wel gewoon: ik moet, hij moet. Bij wij, jullie en zij (meervoud) gebruik je bij alle vier het hele werkwoord.
| Onderwerp | willen | kunnen | moeten | mogen |
|---|---|---|---|---|
| ik | wil | kan | moet | mag |
| jij | wilt of wil | kunt of kan | moet | mag |
| u | wilt of wil | kunt of kan | moet | mag |
| hij, zij, het | wil | kan | moet | mag |
| wij, jullie, zij (meervoud) | willen | kunnen | moeten | mogen |
Het tweede werkwoord staat achteraan
Na een modaal werkwoord komt meestal een tweede werkwoord. Dat staat achteraan in de zin. Het verandert niet: je gebruikt het hele werkwoord, met -en. Dat heet de infinitief.
| Onderwerp | Modaal werkwoord | Midden | Hele werkwoord |
|---|---|---|---|
| Ik | wil | graag Nederlands | leren. |
| Zij | moet | vandaag een brief | schrijven. |
| U | kunt | hier met de bus | gaan. |
| Wij | mogen | hier niet | roken. |
In een vraag staat het modale werkwoord vooraan. Het tweede werkwoord blijft achteraan: Kunt u mij helpen?