Je gebruikt hebben en zijn in bijna elk gesprek. Het zijn de belangrijkste werkwoorden van het Nederlands. Ze zijn onregelmatig: ze volgen de gewone regels niet. Je leert de vormen daarom uit je hoofd.
De vormen van zijn
| Onderwerp | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ik | ben | Ik ben moe. |
| jij | bent | Jij bent thuis. |
| u | bent | U bent de manager. |
| hij, zij, het | is | Zij is lerares. |
| wij, jullie, zij (meervoud) | zijn | Wij zijn collega's. |
De vormen van hebben
| Onderwerp | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ik | heb | Ik heb een fiets. |
| jij | hebt | Jij hebt een mooie jas. |
| u | heeft of hebt | U heeft een afspraak. |
| hij, zij, het | heeft | Hij heeft hoofdpijn. |
| wij, jullie, zij (meervoud) | hebben | Wij hebben twee auto's. |
Jij na het werkwoord
Net als bij andere werkwoorden valt de t weg als jij na het werkwoord staat. Jij bent wordt ben jij. Jij hebt wordt heb jij. Bij u blijft de t staan: Bent u thuis? Heeft u een afspraak?
Hebben of zijn: welke kies je?
Kijk naar wat je wilt zeggen. Gaat het om iets wat iemand heeft? Dan kies je hebben. Gaat het om wie, waar of hoe iemand is? Dan kies je zijn.
Met hebben
- Iets wat je hebt: Ik heb een telefoon. Zij heeft twee kinderen.
- Honger, dorst, pijn en koorts: Ik heb honger. Tom heeft hoofdpijn.
- Ook tijd en zin: Heb jij even tijd? Ik heb zin in koffie.
Met zijn
- Wie of wat je bent: Ik ben student. Mijn zus is lerares.
- Waar je bent: Wij zijn thuis. De sleutels zijn in mijn tas.
- Hoe je bent of hoe iets is: Ik ben moe. De kamer is stil.
Woorden als moe, ziek, blij en stil zeggen hoe iemand of iets is. Zo'n woord heet een bijvoeglijk naamwoord. Daarbij gebruik je zijn: hij is ziek.
Je gebruikt hebben en zijn ook in de voltooide tijd, zoals in ik heb gewerkt.