Naar de inhoud

Grammatica · A2

Woordvolgorde: ik ga morgen naar huis.

In een gewone zin staat eerst het onderwerp. Het werkwoord staat altijd op plek 2. Daarna komen tijd, manier en plaats: Ik ga morgen met de bus naar huis. Zijn er twee werkwoorden? Dan staat het tweede achteraan.

6 minuten lezenNaar de 20 vragen

Woordvolgorde is de volgorde van de woorden in een zin. Het Nederlands heeft daar vaste regels voor. Op deze pagina gaat het over de gewone zin. Die begint met het onderwerp: wie of wat iets doet.

Het werkwoord staat op plek 2

Plek 1 is het onderwerp. Dat kan één woord zijn (ik, Jan) of een groepje woorden (mijn kleine dochter). Op plek 2 staat het werkwoord. Het is de vorm die past bij het onderwerp: ik werk, hij werkt.

Plek 1 (onderwerp)Plek 2 (werkwoord)De rest
Ikwerkvandaag.
Mijn broerwoontin Amsterdam.
Mijn kleine dochterspeeltin de tuin.

Ook als je met een tijd begint, blijft het werkwoord op plek 2: Vandaag werk ik (dat heet inversie).

Na het werkwoord: tijd, manier, plaats

Na het werkwoord komt de rest van de zin. Vaak staat daar een tijd (wanneer?), een manier (hoe?) en een plaats (waar?). De vaste volgorde is: tijd, manier, plaats. Heeft de zin geen manier of geen plaats? Dan sla je die over.

Onderwerp + werkwoordTijd (wanneer?)Manier (hoe?)Plaats (waar?)
Ik gamorgenmet de busnaar Utrecht.
Wij fietsenelke dagsamennaar school.
Jan werktvandaag-op kantoor.
Maria zit-rustigop de bank.

Het voorwerp: wat of wie

Veel zinnen hebben ook een voorwerp. Dat is het ding of de persoon waar het om gaat: een brief, pasta, de taart. Een korte tijd zoals nu, morgen of vandaag staat meestal voor het voorwerp.

  • Wij eten vanavond pasta.
  • Ik schrijf morgen een brief.
  • Anna bakt morgen de taart.

Twee werkwoorden: het tweede gaat naar het eind

Soms heeft een zin twee werkwoorden, bijvoorbeeld met willen, kunnen, moeten of mogen. Het eerste werkwoord staat op plek 2. Het tweede staat helemaal achteraan. Dat is het hele werkwoord, zoals schrijven of invullen. Dit heet ook de infinitief.

OnderwerpPlek 2MiddenAchteraan
Ikwilmorgen een briefschrijven.
Jijmoetnu een formulierinvullen.
Hijmagvandaag thuiswerken.

In het midden blijft de volgorde hetzelfde: tijd, manier, plaats. Zo werkt het ook met gaan (ik ga morgen werken) en in de voltooide tijd (ik heb gisteren gewerkt).

Oefen: zet de zin in de goede volgorde

20 zinnen. Zet de woorden in de goede volgorde. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Zet de woorden in de goede volgorde.

  1. 1.

    drink · nu · mijn koffie · ik

  2. 2.

    Jan · vandaag · werkt · op kantoor

  3. 3.

    pasta · vanavond · wij · eten

  4. 4.

    stopt · bij de halte · nu · de bus

  5. 5.

    morgen · bakt · de taart · Anna

  6. 6.

    morgen · wil · ik · een brief · schrijven

  7. 7.

    nu · jij · invullen · moet · een formulier

  8. 8.

    spelen · de kinderen · buiten · vandaag

  9. 9.

    morgen · wij · gaan · naar het museum

  10. 10.

    de slager · het vlees · elke dag · snijdt

  11. 11.

    voor een afspraak · straks · de assistent · bel · ik

  12. 12.

    hard · leert · Maria · voor het examen

  13. 13.

    nu · in een appartement · wij · in Amsterdam · wonen

  14. 14.

    de agent · de boete · geeft · vandaag

  15. 15.

    koop · ik · vanavond · voor mijn moeder · een cadeau

  16. 16.

    praten · jij · goed · Nederlands · kunt

  17. 17.

    nu · maakt · de toets · de student

  18. 18.

    het feest · vieren · wij · vanavond

  19. 19.

    ik · morgen · verwisselen · moet · een band

  20. 20.

    de buren · vandaag · ons · helpen

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over woordvolgorde

Wat is de woordvolgorde in een Nederlandse zin?

In een gewone zin komt eerst het onderwerp. Daarna komt het werkwoord, op plek 2. Dan volgt de rest: tijd, manier, plaats. Is er een tweede werkwoord? Dat staat achteraan.

Wat betekent tijd, manier, plaats?

Het is de volgorde van de informatie na het werkwoord. Eerst wanneer (morgen), dan hoe (met de trein), dan waar (naar Utrecht). Dus: Ik ga morgen met de trein naar Utrecht.

Waar staat het tweede werkwoord in de zin?

Helemaal aan het eind: Ik wil vandaag een brief schrijven. Dat geldt ook voor gaan (ik ga morgen werken) en voor de voltooide tijd (ik heb gisteren gewerkt).

Is woordvolgorde belangrijk voor het inburgeringsexamen?

Ja, vooral bij Spreken en Schrijven. Daar maak je zelf zinnen. De beoordelaar let op of je woordvolgorde klopt. Een paar fouten zijn niet erg. Het werkwoord op plek 2 is het belangrijkste.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.