Woordvolgorde is de volgorde van de woorden in een zin. Het Nederlands heeft daar vaste regels voor. Op deze pagina gaat het over de gewone zin. Die begint met het onderwerp: wie of wat iets doet.
Het werkwoord staat op plek 2
Plek 1 is het onderwerp. Dat kan één woord zijn (ik, Jan) of een groepje woorden (mijn kleine dochter). Op plek 2 staat het werkwoord. Het is de vorm die past bij het onderwerp: ik werk, hij werkt.
| Plek 1 (onderwerp) | Plek 2 (werkwoord) | De rest |
|---|---|---|
| Ik | werk | vandaag. |
| Mijn broer | woont | in Amsterdam. |
| Mijn kleine dochter | speelt | in de tuin. |
Ook als je met een tijd begint, blijft het werkwoord op plek 2: Vandaag werk ik (dat heet inversie).
Na het werkwoord: tijd, manier, plaats
Na het werkwoord komt de rest van de zin. Vaak staat daar een tijd (wanneer?), een manier (hoe?) en een plaats (waar?). De vaste volgorde is: tijd, manier, plaats. Heeft de zin geen manier of geen plaats? Dan sla je die over.
| Onderwerp + werkwoord | Tijd (wanneer?) | Manier (hoe?) | Plaats (waar?) |
|---|---|---|---|
| Ik ga | morgen | met de bus | naar Utrecht. |
| Wij fietsen | elke dag | samen | naar school. |
| Jan werkt | vandaag | - | op kantoor. |
| Maria zit | - | rustig | op de bank. |
Het voorwerp: wat of wie
Veel zinnen hebben ook een voorwerp. Dat is het ding of de persoon waar het om gaat: een brief, pasta, de taart. Een korte tijd zoals nu, morgen of vandaag staat meestal voor het voorwerp.
- Wij eten vanavond pasta.
- Ik schrijf morgen een brief.
- Anna bakt morgen de taart.
Twee werkwoorden: het tweede gaat naar het eind
Soms heeft een zin twee werkwoorden, bijvoorbeeld met willen, kunnen, moeten of mogen. Het eerste werkwoord staat op plek 2. Het tweede staat helemaal achteraan. Dat is het hele werkwoord, zoals schrijven of invullen. Dit heet ook de infinitief.
| Onderwerp | Plek 2 | Midden | Achteraan |
|---|---|---|---|
| Ik | wil | morgen een brief | schrijven. |
| Jij | moet | nu een formulier | invullen. |
| Hij | mag | vandaag thuis | werken. |
In het midden blijft de volgorde hetzelfde: tijd, manier, plaats. Zo werkt het ook met gaan (ik ga morgen werken) en in de voltooide tijd (ik heb gisteren gewerkt).