Op A2 leer je de voegwoorden en, maar, want, of en dus. Op B1 komen woorden als doordat, zodat en mits erbij. Deze B2-regel gaat over de vorm van de zin. Welke woorden horen bij elkaar? Waar staat het werkwoord?
Woordparen: het eerste woord bepaalt het tweede
Deze paren liggen vast. Schrijf je het eerste woord? Dan is er maar één goed tweede woord. Leer ze daarom als paar.
| Paar | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| niet alleen ... maar ook | het een en ook het ander | Ze spreekt niet alleen Engels, maar ook Duits. |
| zowel ... als | allebei | De zaal was zowel groot als licht. |
| noch ... noch | geen van beide | Hij heeft noch broers noch zussen. |
| of ... of | een van de twee | Je kunt of lopen of fietsen. |
| enerzijds ... anderzijds | twee kanten van een zaak | Enerzijds is het leuk, anderzijds is het vermoeiend. |
| hoe ... hoe | het een groeit met het ander mee | Hoe meer je leest, hoe meer je leert. |
Waar staat maar ook?
Gaat het om twee woorden of woordgroepen? Dan is het simpel: Ze spreekt niet alleen Engels, maar ook Duits. Gaat het om twee hele zinnen? Dan zet je ook meestal achter het werkwoord: Hij kookt niet alleen, maar hij bakt ook.
Je ziet ook: Niet alleen kookt hij, maar ook bakt hij. Dat is formeel en klinkt wat stijf. Staat niet alleen vooraan? Dan komt het werkwoord voor het onderwerp: Niet alleen kookt hij.
Hoe ... hoe: het werkwoord achteraan
Na het eerste hoe komt een vergrotende trap: meer, langer, kouder. Het eerste deel is een bijzin. Het werkwoord staat daar dus achteraan.
- Hoe meer je leest, hoe meer je leert.
- Hoe kouder het werd, hoe meer mensen binnen bleven.
- Hoe langer ze wachtte, hoe nerveuzer ze werd.
In het tweede deel mag het werkwoord ook direct na de vergrotende trap staan: hoe meer leer je. Allebei zijn goed. Het werkwoord achteraan is het gewoonst.
Toch, daarom, bovendien: inversie
Sommige verbindingswoorden zijn bijwoorden: toch, daarom, bovendien, vervolgens, daardoor en desondanks. Zo'n woord vooraan telt als het eerste zinsdeel. Het werkwoord komt dan op plek 2, voor het onderwerp. Dat heet inversie.
Goed: werkwoord voor het onderwerp
- Hij was ziek. Toch ging hij naar het feest.
- De wegen waren glad. Daarom reed iedereen langzamer.
- Eerst belde ze. Vervolgens kwam ze langs.
Fout: geen inversie
- Toch hij ging naar het feest.
- Daarom iedereen reed langzamer.
- Vervolgens ze kwam langs.
Want of omdat: de plek van het werkwoord
Want en omdat geven allebei een reden. Na want volgt een hoofdzin. Het werkwoord staat op plek 2. Na omdat volgt een bijzin. Het werkwoord staat dan achteraan. Zijn er twee werkwoorden? Dan staan ze allebei achteraan.
Want: werkwoord op plek 2
- Hij eet niet, want hij heeft geen honger.
- Ze rent, want ze wil de bus halen.
Omdat: werkwoord achteraan
- Hij eet niet, omdat hij geen honger heeft.
- Ze rent, omdat ze de bus wil halen.