Naar de inhoud

Grammatica · B2

Niet alleen ... maar ook: woorden die bij elkaar horen.

Sommige verbindingswoorden komen in paren. Het eerste woord bepaalt het tweede: niet alleen ... maar ook, zowel ... als, noch ... noch. Begint een zin met een woord als toch of daarom? Dan komt het werkwoord voor het onderwerp: Toch ging hij.

7 minuten lezenNaar de 20 vragen

Op A2 leer je de voegwoorden en, maar, want, of en dus. Op B1 komen woorden als doordat, zodat en mits erbij. Deze B2-regel gaat over de vorm van de zin. Welke woorden horen bij elkaar? Waar staat het werkwoord?

Woordparen: het eerste woord bepaalt het tweede

Deze paren liggen vast. Schrijf je het eerste woord? Dan is er maar één goed tweede woord. Leer ze daarom als paar.

PaarBetekenisVoorbeeld
niet alleen ... maar ookhet een en ook het anderZe spreekt niet alleen Engels, maar ook Duits.
zowel ... alsallebeiDe zaal was zowel groot als licht.
noch ... nochgeen van beideHij heeft noch broers noch zussen.
of ... ofeen van de tweeJe kunt of lopen of fietsen.
enerzijds ... anderzijdstwee kanten van een zaakEnerzijds is het leuk, anderzijds is het vermoeiend.
hoe ... hoehet een groeit met het ander meeHoe meer je leest, hoe meer je leert.

Waar staat maar ook?

Gaat het om twee woorden of woordgroepen? Dan is het simpel: Ze spreekt niet alleen Engels, maar ook Duits. Gaat het om twee hele zinnen? Dan zet je ook meestal achter het werkwoord: Hij kookt niet alleen, maar hij bakt ook.

Je ziet ook: Niet alleen kookt hij, maar ook bakt hij. Dat is formeel en klinkt wat stijf. Staat niet alleen vooraan? Dan komt het werkwoord voor het onderwerp: Niet alleen kookt hij.

Hoe ... hoe: het werkwoord achteraan

Na het eerste hoe komt een vergrotende trap: meer, langer, kouder. Het eerste deel is een bijzin. Het werkwoord staat daar dus achteraan.

  • Hoe meer je leest, hoe meer je leert.
  • Hoe kouder het werd, hoe meer mensen binnen bleven.
  • Hoe langer ze wachtte, hoe nerveuzer ze werd.

In het tweede deel mag het werkwoord ook direct na de vergrotende trap staan: hoe meer leer je. Allebei zijn goed. Het werkwoord achteraan is het gewoonst.

Toch, daarom, bovendien: inversie

Sommige verbindingswoorden zijn bijwoorden: toch, daarom, bovendien, vervolgens, daardoor en desondanks. Zo'n woord vooraan telt als het eerste zinsdeel. Het werkwoord komt dan op plek 2, voor het onderwerp. Dat heet inversie.

Goed: werkwoord voor het onderwerp

  • Hij was ziek. Toch ging hij naar het feest.
  • De wegen waren glad. Daarom reed iedereen langzamer.
  • Eerst belde ze. Vervolgens kwam ze langs.

Fout: geen inversie

  • Toch hij ging naar het feest.
  • Daarom iedereen reed langzamer.
  • Vervolgens ze kwam langs.

Want of omdat: de plek van het werkwoord

Want en omdat geven allebei een reden. Na want volgt een hoofdzin. Het werkwoord staat op plek 2. Na omdat volgt een bijzin. Het werkwoord staat dan achteraan. Zijn er twee werkwoorden? Dan staan ze allebei achteraan.

Want: werkwoord op plek 2

  • Hij eet niet, want hij heeft geen honger.
  • Ze rent, want ze wil de bus halen.

Omdat: werkwoord achteraan

  • Hij eet niet, omdat hij geen honger heeft.
  • Ze rent, omdat ze de bus wil halen.

Oefen: woordparen en woordvolgorde

20 zinnen. Soms kies je het tweede woord van een paar. Soms kies je de goede woordvolgorde. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Kies wat er op de lege plek hoort.

  1. 1.

    Je kunt of lopen ... fietsen.

    als · noch · of · en

  2. 2.

    Eerst belde ze. Vervolgens ... langs.

    dan ze · ze kwam · ze dan kwam · kwam ze

  3. 3.

    Hoe kouder het ..., hoe meer mensen binnen bleven.

    het werd · werd het · werd · dan werd

  4. 4.

    Enerzijds is het leuk, ... is het vermoeiend.

    anderzijds · daarnaast · en · of

  5. 5.

    Hij was ziek. Toch ... naar het feest.

    hij dan ging · hij ging · dan hij · ging hij

  6. 6.

    Hoe langer ze ..., hoe nerveuzer ze werd.

    ze wachtte · wachtte ze · dan wachtte · wachtte

  7. 7.

    Hij eet niet, omdat hij geen honger ....

    heeft · dan heeft · heeft honger · hebben

  8. 8.

    Ze rent, want ze ... de bus halen.

    wil dan · de bus wil halen · willen · wil

  9. 9.

    Hij heeft noch broers ... zussen.

    en · of · nog · noch

  10. 10.

    Niet alleen kookt hij, ... ook bakt hij.

    want · maar · of · en

  11. 11.

    Ze rent, omdat ze de bus ....

    wil halen · wilt halen · halen wil ze · halen ze wil

  12. 12.

    De zaal was zowel groot ... licht.

    en · als · of · maar

  13. 13.

    Hoe beter hij het uitlegde, hoe sneller wij het ....

    dan begrepen · begrepen · wij begrepen · wij het begrepen

  14. 14.

    Hij eet niet, want hij ... geen honger.

    heeft dan · hebben · heeft · geen honger heeft

  15. 15.

    De wegen waren glad. Daarom ... langzamer.

    iedereen dan reed · iedereen reed · dan iedereen · reed iedereen

  16. 16.

    Het regende, maar ... toch op pad.

    gingen wij · gingen we · we toch gingen · we gingen

  17. 17.

    Hoe meer je ..., hoe meer je leert.

    leest · je leest · dan leest · lees je

  18. 18.

    Het was duur. Bovendien ... het niet mooi.

    was · dan was · het was · was dan

  19. 19.

    Ze studeert zowel rechten ... economie.

    als · of · maar · en

  20. 20.

    Ze ging niet mee, want ... moe.

    was ze · ze was · was zij · ze moe was

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over niet alleen ... maar ook

Komt er een komma voor maar ook?

Verbindt het twee hele zinnen? Dan zet je meestal een komma. Gaat het om twee woorden? Dan mag de komma weg: niet alleen Engels maar ook Duits.

Is het zowel ... als of zowel ... en?

Zowel ... als. Na zowel komt altijd als: zowel groot als licht. Zowel ... en is fout.

Wat is het verschil tussen noch en nog?

Noch betekent: ook niet. Je gebruikt het in het paar noch ... noch: noch koffie noch thee. Nog gaat over tijd of over meer: Ik ben nog thuis. Wil je nog koffie?

Wat is de woordvolgorde bij hoe meer, hoe beter?

Het eerste deel is een bijzin, dus het werkwoord staat achteraan: Hoe meer je oefent, hoe beter het gaat. In het tweede deel mag het werkwoord ook vooraan: hoe beter gaat het.

Waarom zeg je toch ging hij en niet toch hij ging?

Toch staat vooraan en telt als het eerste zinsdeel. Het werkwoord moet op plek 2 staan. Daarom komt het werkwoord voor het onderwerp: Toch ging hij.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.