Een voornaamwoord is een kort woord dat je gebruikt in plaats van een naam of een ander woord. Zo hoef je niet steeds hetzelfde te zeggen. Op deze pagina gaat het om het voornaamwoord als onderwerp. Het onderwerp is wie of wat iets doet: ik werk, zij woont hier.
Alle persoonlijke voornaamwoorden
Er zijn negen persoonlijke voornaamwoorden. Drie ervan hebben een lange en een korte vorm: jij en je, wij en we, zij en ze. De lange en de korte vorm betekenen hetzelfde.
| Over wie of wat? | Voornaamwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Jezelf | ik | Ik woon in Almere. |
| De ander (gewoon) | jij / je | Heb je tijd? |
| De ander (beleefd) | u | Kunt u even wachten? |
| Een man of een de-woord | hij | De trein? Hij is laat. |
| Een vrouw | zij / ze | Zij werkt in een winkel. |
| Een het-woord | het | Het station is groot. Het ligt in het centrum. |
| Jij en anderen samen | wij / we | We gaan nu naar huis. |
| Meer mensen tegen wie je praat | jullie | Jullie zijn welkom. |
| Meer mensen of dingen | zij / ze | De buren? Ze zijn op vakantie. |
Jij of u?
Het Nederlands heeft twee woorden voor de persoon tegen wie je praat. Jij is gewoon en informeel. U is beleefd en formeel. Twijfel je? Kies dan u. Wil de ander liever jij? Dan zegt hij dat meestal zelf: "Zeg maar jij."
Zeg u
- Tegen de gemeente, de dokter of je huisbaas.
- Tegen iemand die je niet kent, zeker als die ouder is.
- Tegen iemand die je meneer of mevrouw noemt.
- In een formele brief of mail.
Zeg jij of je
- Tegen vrienden en familie.
- Tegen kinderen en klasgenoten.
- Vaak tegen collega's en buren.
- In een berichtje aan een vriend.
De lange en de korte vorm
Jij en je betekenen hetzelfde. Dat geldt ook voor wij en we. Zij en ze zijn ook gelijk. In gewone zinnen gebruik je meestal de korte vorm: je, we, ze. De lange vorm gebruik je als je extra nadruk wilt.
Kort en lang
- Heb je morgen tijd?Gewone vraag, korte vorm.
- Heb jij dat gedaan?Nadruk: jij en niemand anders.
- We eten om zes uur.Gewone zin, korte vorm.
- Wij betalen vandaag.Nadruk: wij, de anderen niet.
Hij of het voor een ding
Je gebruikt een voornaamwoord ook voor dingen, dieren en plaatsen. Dan kijk je naar het lidwoord. Een de-woord wordt hij. Een het-woord wordt het. In het meervoud is het altijd zij of ze.
| Woord | Voornaamwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| de bus (de-woord) | hij | De bus is laat. Hij komt om negen uur. |
| de tafel (de-woord) | hij | De tafel is nieuw. Hij staat in de keuken. |
| het boek (het-woord) | het | Het boek is dik. Het ligt op tafel. |
| de brieven (meervoud) | ze | De brieven zijn er. Ze liggen op de mat. |
Het meisje is zij
Sommige het-woorden gaan over een persoon: het meisje, het jongetje. Dan kijk je meestal naar de persoon. Het meisje speelt. Zij is blij. Het jongetje rent. Hij is snel. Bij het kind kies je hij of zij, net wat past bij het kind.