Naar de inhoud

Grammatica · A2

Persoonlijke voornaamwoorden: ik, jij, u, hij, zij.

Een persoonlijk voornaamwoord staat in plaats van een naam: Anna werkt hier. Zij verkoopt brood. Tegen vrienden zeg je jij. Tegen iemand die je niet kent zeg je u. Voor een ding kijk je naar het lidwoord: een de-woord wordt hij, een het-woord wordt het.

5 minuten lezenNaar de 20 vragen

Een voornaamwoord is een kort woord dat je gebruikt in plaats van een naam of een ander woord. Zo hoef je niet steeds hetzelfde te zeggen. Op deze pagina gaat het om het voornaamwoord als onderwerp. Het onderwerp is wie of wat iets doet: ik werk, zij woont hier.

Alle persoonlijke voornaamwoorden

Er zijn negen persoonlijke voornaamwoorden. Drie ervan hebben een lange en een korte vorm: jij en je, wij en we, zij en ze. De lange en de korte vorm betekenen hetzelfde.

De persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp
Over wie of wat?VoornaamwoordVoorbeeld
JezelfikIk woon in Almere.
De ander (gewoon)jij / jeHeb je tijd?
De ander (beleefd)uKunt u even wachten?
Een man of een de-woordhijDe trein? Hij is laat.
Een vrouwzij / zeZij werkt in een winkel.
Een het-woordhetHet station is groot. Het ligt in het centrum.
Jij en anderen samenwij / weWe gaan nu naar huis.
Meer mensen tegen wie je praatjullieJullie zijn welkom.
Meer mensen of dingenzij / zeDe buren? Ze zijn op vakantie.

Jij of u?

Het Nederlands heeft twee woorden voor de persoon tegen wie je praat. Jij is gewoon en informeel. U is beleefd en formeel. Twijfel je? Kies dan u. Wil de ander liever jij? Dan zegt hij dat meestal zelf: "Zeg maar jij."

Zeg u

  • Tegen de gemeente, de dokter of je huisbaas.
  • Tegen iemand die je niet kent, zeker als die ouder is.
  • Tegen iemand die je meneer of mevrouw noemt.
  • In een formele brief of mail.

Zeg jij of je

  • Tegen vrienden en familie.
  • Tegen kinderen en klasgenoten.
  • Vaak tegen collega's en buren.
  • In een berichtje aan een vriend.

De lange en de korte vorm

Jij en je betekenen hetzelfde. Dat geldt ook voor wij en we. Zij en ze zijn ook gelijk. In gewone zinnen gebruik je meestal de korte vorm: je, we, ze. De lange vorm gebruik je als je extra nadruk wilt.

Kort en lang

  • Heb je morgen tijd?Gewone vraag, korte vorm.
  • Heb jij dat gedaan?Nadruk: jij en niemand anders.
  • We eten om zes uur.Gewone zin, korte vorm.
  • Wij betalen vandaag.Nadruk: wij, de anderen niet.

Hij of het voor een ding

Je gebruikt een voornaamwoord ook voor dingen, dieren en plaatsen. Dan kijk je naar het lidwoord. Een de-woord wordt hij. Een het-woord wordt het. In het meervoud is het altijd zij of ze.

WoordVoornaamwoordVoorbeeld
de bus (de-woord)hijDe bus is laat. Hij komt om negen uur.
de tafel (de-woord)hijDe tafel is nieuw. Hij staat in de keuken.
het boek (het-woord)hetHet boek is dik. Het ligt op tafel.
de brieven (meervoud)zeDe brieven zijn er. Ze liggen op de mat.

Het meisje is zij

Sommige het-woorden gaan over een persoon: het meisje, het jongetje. Dan kijk je meestal naar de persoon. Het meisje speelt. Zij is blij. Het jongetje rent. Hij is snel. Bij het kind kies je hij of zij, net wat past bij het kind.

Oefen: kies het persoonlijk voornaamwoord

20 korte zinnen uit het dagelijks leven. Kies het woord voor de lege plek. Soms zijn twee antwoorden goed, zoals jij en je. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Kies het goede voornaamwoord.

  1. 1.

    Mijn naam is Anna. ... woon in Utrecht.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  2. 2.

    Maria werkt hier. ... verkoopt brood.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  3. 3.

    Meneer de ambtenaar, kunt ... mij helpen?

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  4. 4.

    Jan en ik zijn hier. ... wachten.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  5. 5.

    De kinderen spelen. ... zijn buiten.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  6. 6.

    Leraar Bram legt uit. ... is geduldig.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  7. 7.

    Het huis is groot. ... heeft veel kamers.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  8. 8.

    Zoon, ... moet eten.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  9. 9.

    Vrienden, ... zijn te laat!

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  10. 10.

    Ik ben moe. ... ga slapen.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  11. 11.

    Mijn moeder is zestig. ... werkt nog.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  12. 12.

    Meneer, heeft ... mijn formulier?

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  13. 13.

    De bus vertrekt. ... vertrekt nu.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  14. 14.

    Mijn vrouw en ik eten. ... eten pizza.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  15. 15.

    De buren helpen. ... helpen mij.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  16. 16.

    Het meisje speelt. ... is blij.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  17. 17.

    Meneer, waar woont ...?

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  18. 18.

    Daan, waar werk ...?

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  19. 19.

    Jan, ben ... klaar?

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

  20. 20.

    Het boek is oud. ... is oud.

    ik · jij · je · u · hij · zij · het · wij · we · jullie

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over persoonlijke voornaamwoorden

Wat zijn persoonlijke voornaamwoorden?

Dat zijn korte woorden in plaats van een naam of een ander woord. Als onderwerp zijn er negen: ik, jij of je, u, hij en zij of ze. Daarna het, wij of we, jullie en zij of ze.

Wanneer zeg je u en wanneer jij?

U zeg je tegen mensen die je niet kent. Je gebruikt het ook tegen de gemeente of de dokter. In een formele brief schrijf je ook u. Jij zeg je tegen vrienden, familie en kinderen. Twijfel je? Zeg dan u.

Waarom zeg je hij tegen een ding?

In het Nederlands hangt het voornaamwoord af van het lidwoord. Een de-woord wordt hij: De lamp? Hij is kapot. Een het-woord wordt het: Het raam? Het is open.

Is het meisje hij, zij of het?

Meestal zeg je zij: Het meisje speelt. Zij is blij. Volgens de Taalunie mag het ook, maar zij is veel gewoner. Hij is fout, want het gaat om een meisje.

Wat is het verschil tussen jij en je?

Er is geen verschil in betekenis. Je is de gewone, korte vorm. Jij gebruik je als je nadruk wilt: Heb jij dat gedaan? Op het examen zijn ze allebei goed.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.