Een lidwoord is het kleine woord voor een zelfstandig naamwoord: de stad, het huis. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, een ding of een idee. Bij een hoef je niet te kiezen: een stad, een huis. Bij de en het wel.
Twee snelle regels
Met twee regels weet je het bij heel veel woorden meteen. Het meervoud is altijd de. Een verkleinwoord is altijd het.
Altijd de
- Het meervoud: de katten, de boeken, de huizen.
- Personen en beroepen: de man, de leraar, de dokter.
- Woorden op -ing, -heid en -ij: de vergadering, de gezondheid, de bakkerij.
Altijd het
- Verkleinwoorden op -je: het huisje, het meisje, het pakketje.
- Een werkwoord als zelfstandig naamwoord: het eten, het lopen.
- Talen: het Nederlands, het Engels.
Wanneer is het de?
De meeste woorden zijn de-woorden. Bij deze groepen weet je het zeker.
- Alle woorden in het meervoud: de katten, de vrouwen.
- Personen en beroepen: de vader, de buurvrouw, de tandarts.
- Woorden op -ing, -heid en -ij: de opening, de vrijheid, de bakkerij.
- Groente, fruitsoorten, bomen en bloemen: de wortel, de appel, de roos.
- Cijfers en letters: de vijf, de a.
- Woorden op -aar en -ie: de ambtenaar, de familie, de politie.
Wanneer is het het?
Er zijn minder het-woorden. Leer daarom vooral deze groepen. Dan herken je een het-woord meteen.
- Verkleinwoorden op -je, -tje, -pje of -etje: het tafeltje, het kopje, het balletje.
- Een werkwoord als zelfstandig naamwoord: het eten, het sporten.
- Woorden die beginnen met be-, ge-, ver- of ont-: het bezoek, het gesprek, het verhaal, het ontbijt. Eindigt zo een woord op -ing of -heid? Dan is het toch de: de verhuizing.
- Woorden op -ment, -isme en meestal -um: het document, het moment, het museum. Een bekende uitzondering is de datum.
- Talen: het Nederlands, het Duits, het Frans.
- Windrichtingen: het noorden, het zuiden.
- Metalen: het goud, het zilver, het koper.
- Woorden op -tuig, -ma en vaak -ion: het vliegtuig, het diploma, het station.
Veel gebruikte het-woorden zonder regel
Sommige gewone woorden zijn het, zonder duidelijke reden. Je ziet ze vaak in teksten op A2-niveau. Deze leer je het beste uit je hoofd.
| Woord | Voorbeeld |
|---|---|
| het huis | Het huis heeft een tuin. |
| het boek | Ik lees het boek in de trein. |
| het kind | Het kind gaat naar school. |
| het raam | Doe het raam maar open. |
| het brood | Het brood is vers. |
| het water | Het water is koud. |
| het glas | Het glas is leeg. |
| het jaar | Het jaar is bijna voorbij. |
| het uur | De les duurt een uur. |
| het weer | Het weer is vandaag mooi. |
| het feest | Het feest begint om acht uur. |
| het kantoor | Ik werk op het kantoor in Utrecht. |
| het bedrijf | Het bedrijf zoekt nieuwe mensen. |
| het idee | Dat is een goed idee. |
Zo kies je in drie stappen
- Is het woord meervoud? Dan is het de.
- Hoort het woord bij een het-groep, zoals een verkleinwoord of een taal? Dan is het het.
- Ken je het als het-woord zonder regel? Dan is het het. In alle andere gevallen kies je de.