Naar de inhoud

Grammatica · A2

De of het? Zo kies je het lidwoord.

Ongeveer drie van de vier woorden zijn een de-woord. Het meervoud is altijd de. Een verkleinwoord op -je is altijd het. Weet je het niet? Kies dan de.

5 minuten lezenNaar de 20 vragen

Een lidwoord is het kleine woord voor een zelfstandig naamwoord: de stad, het huis. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, een ding of een idee. Bij een hoef je niet te kiezen: een stad, een huis. Bij de en het wel.

Twee snelle regels

Met twee regels weet je het bij heel veel woorden meteen. Het meervoud is altijd de. Een verkleinwoord is altijd het.

Altijd de

  • Het meervoud: de katten, de boeken, de huizen.
  • Personen en beroepen: de man, de leraar, de dokter.
  • Woorden op -ing, -heid en -ij: de vergadering, de gezondheid, de bakkerij.

Altijd het

  • Verkleinwoorden op -je: het huisje, het meisje, het pakketje.
  • Een werkwoord als zelfstandig naamwoord: het eten, het lopen.
  • Talen: het Nederlands, het Engels.

Wanneer is het de?

De meeste woorden zijn de-woorden. Bij deze groepen weet je het zeker.

  • Alle woorden in het meervoud: de katten, de vrouwen.
  • Personen en beroepen: de vader, de buurvrouw, de tandarts.
  • Woorden op -ing, -heid en -ij: de opening, de vrijheid, de bakkerij.
  • Groente, fruitsoorten, bomen en bloemen: de wortel, de appel, de roos.
  • Cijfers en letters: de vijf, de a.
  • Woorden op -aar en -ie: de ambtenaar, de familie, de politie.

Wanneer is het het?

Er zijn minder het-woorden. Leer daarom vooral deze groepen. Dan herken je een het-woord meteen.

  • Verkleinwoorden op -je, -tje, -pje of -etje: het tafeltje, het kopje, het balletje.
  • Een werkwoord als zelfstandig naamwoord: het eten, het sporten.
  • Woorden die beginnen met be-, ge-, ver- of ont-: het bezoek, het gesprek, het verhaal, het ontbijt. Eindigt zo een woord op -ing of -heid? Dan is het toch de: de verhuizing.
  • Woorden op -ment, -isme en meestal -um: het document, het moment, het museum. Een bekende uitzondering is de datum.
  • Talen: het Nederlands, het Duits, het Frans.
  • Windrichtingen: het noorden, het zuiden.
  • Metalen: het goud, het zilver, het koper.
  • Woorden op -tuig, -ma en vaak -ion: het vliegtuig, het diploma, het station.

Veel gebruikte het-woorden zonder regel

Sommige gewone woorden zijn het, zonder duidelijke reden. Je ziet ze vaak in teksten op A2-niveau. Deze leer je het beste uit je hoofd.

Het-woorden om te onthouden
WoordVoorbeeld
het huisHet huis heeft een tuin.
het boekIk lees het boek in de trein.
het kindHet kind gaat naar school.
het raamDoe het raam maar open.
het broodHet brood is vers.
het waterHet water is koud.
het glasHet glas is leeg.
het jaarHet jaar is bijna voorbij.
het uurDe les duurt een uur.
het weerHet weer is vandaag mooi.
het feestHet feest begint om acht uur.
het kantoorIk werk op het kantoor in Utrecht.
het bedrijfHet bedrijf zoekt nieuwe mensen.
het ideeDat is een goed idee.

Zo kies je in drie stappen

  1. Is het woord meervoud? Dan is het de.
  2. Hoort het woord bij een het-groep, zoals een verkleinwoord of een taal? Dan is het het.
  3. Ken je het als het-woord zonder regel? Dan is het het. In alle andere gevallen kies je de.

Oefen: de of het?

20 zinnen uit het dagelijks leven. Kies het goede lidwoord. Na elk antwoord zie je meteen waarom het goed of fout is.

Kies de of het.

  1. 1.

    ... gezondheid is belangrijk.

    de · het

  2. 2.

    ... vrouwtje loopt daar.

    de · het

  3. 3.

    ... koper glanst mooi.

    de · het

  4. 4.

    ... boeken liggen op tafel.

    de · het

  5. 5.

    Ik slaap in ... pension.

    de · het

  6. 6.

    Daar staat ... tafeltje.

    de · het

  7. 7.

    ... brief is voor de gemeente.

    de · het

  8. 8.

    De zon schijnt in ... zuiden.

    de · het

  9. 9.

    ... Duits leer ik op school.

    de · het

  10. 10.

    ... appels zijn lekker.

    de · het

  11. 11.

    ... monument staat op het plein.

    de · het

  12. 12.

    Ik krijg ... pakketje.

    de · het

  13. 13.

    ... vergadering begint nu.

    de · het

  14. 14.

    ... leraar spreekt Nederlands.

    de · het

  15. 15.

    ... huis is groot.

    de · het

  16. 16.

    Wacht ... moment.

    de · het

  17. 17.

    ... winkel is gesloten.

    de · het

  18. 18.

    Ik leer ... Frans.

    de · het

  19. 19.

    ... metaal is hard.

    de · het

  20. 20.

    ... tandarts helpt mij.

    de · het

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over de of het

Hoeveel woorden zijn de-woorden?

Ongeveer drie van de vier. Weet je het lidwoord niet, dan is de dus de beste keuze.

Is het meervoud altijd de?

Ja. Elk woord in het meervoud krijgt de. Dat geldt ook voor het-woorden: het huis, de huizen.

Waarom zeg je het meisje?

Meisje is een verkleinwoord: het eindigt op -je. Verkleinwoorden zijn altijd het. Die regel gaat voor de regel dat personen de zijn.

Kost een fout lidwoord punten op het inburgeringsexamen?

Bij Lezen, Luisteren en KNM bijna nooit, want daar kies je een antwoord. Bij Schrijven en Spreken let de beoordelaar ook op hoe goed je taal is. Een paar fouten zijn niet erg. Kies je steeds het verkeerde lidwoord, dan telt dat wel mee.

Hoe leer ik de of het het snelst?

Leer elk nieuw woord samen met het lidwoord. Zeg en schrijf dus "het huis" en niet alleen "huis". Leer daarnaast de het-groepen op deze pagina.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.