Veel Nederlandse werkwoorden hebben een klein woordje vooraan: opbellen, meenemen, uitgaan. Dat woordje heet een voorvoegsel. Bij deze werkwoorden kan het voorvoegsel loskomen van de rest. Daarom heten ze scheidbaar.
Is een werkwoord scheidbaar?
Zeg het werkwoord hardop. Let op de klemtoon: het deel van het woord dat je het hardst zegt. Ligt de klemtoon op het voorvoegsel? Dan is het werkwoord scheidbaar. Be-, ver-, ont-, ge- en her- gaan nooit los.
Scheidbaar: klemtoon vooraan
- opbellen, aankomen, meenemen
- uitgaan, afspreken, opstaan
- invullen, terugkomen, voorstellen
Niet scheidbaar: klemtoon verderop
- betalen, vergeten, ontmoeten
- gebruiken, herhalen
- Deze blijven altijd heel: Ik betaal de rekening.
Los: in een gewone zin en in een vraag
In een gewone zin staat het werkwoord op plek 2. Het voorvoegsel gaat dan naar het eind van de zin. Bij een vraag werkt het net zo.
| Werkwoord | Zin |
|---|---|
| opbellen | Mijn zus belt de bank op. |
| opstaan | Hij staat om zeven uur op. |
| meenemen | Wij nemen ons paspoort mee. |
| aankomen | Wanneer komt de trein aan? |
| opruimen | Ruim jij je bureau op? |
Heel: met een tweede werkwoord
Staat er een werkwoord als willen, kunnen, moeten, mogen of gaan op plek 2? Dan staat het scheidbare werkwoord heel aan het eind. Je schrijft het als één woord: opbellen, meenemen.
- Ik wil mijn moeder opbellen.
- Wij moeten warme kleren meenemen.
- Mag ik u een koffie aanbieden?
- Ik ga morgen vroeg opstaan.
In de voltooide tijd blijft het werkwoord ook heel. Het stukje ge- komt dan in het midden: Ik heb mijn moeder opgebeld.
Heel: in een bijzin
Een bijzin is een deel van de zin dat begint met een woord als omdat, als of dat. In een bijzin staat het werkwoord achteraan. Een scheidbaar werkwoord blijft daar heel. Het past zich wel aan bij het onderwerp.
| Onderwerp | Voorbeeld |
|---|---|
| ik | ... omdat ik mijn moeder opbel. |
| hij, zij, het | ... omdat het vliegtuig om tien uur aankomt. |
| wij, jullie, zij | ... als wij morgen iets afspreken. |