Wil je zeggen dat iets niet zo is? Dan ontken je het. In het Nederlands heb je daar twee woorden voor: niet en geen. Welk woord je kiest, hangt af van het woord dat je ontkent.
De hoofdregel
Kijk naar het woord dat je ontkent. Is het een zelfstandig naamwoord met een, of zonder lidwoord? Dan gebruik je geen. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, ding of idee: auto, geld, kinderen. In alle andere gevallen gebruik je niet.
Gebruik geen
- Bij een zelfstandig naamwoord met een: een auto wordt geen auto.
- Bij een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord: geld wordt geen geld.
- Bij een meervoud zonder lidwoord: kinderen wordt geen kinderen.
Gebruik niet
- Bij een werkwoord: Ik werk niet.
- Bij een bijvoeglijk naamwoord, een woord dat zegt hoe iets is: Het water is niet warm.
- Bij iets bepaalds: met de, het, mijn of jouw, of bij een naam.
Geen in voorbeelden
In al deze zinnen staat een zelfstandig naamwoord met een, of zonder lidwoord. Daarom wordt het geen. Geen staat altijd direct voor dat woord.
| Zonder ontkenning | Met geen |
|---|---|
| Ik heb een pen. | Ik heb geen pen. |
| Hij koopt een brood. | Hij koopt geen brood. |
| Wij hebben tijd. | Wij hebben geen tijd. |
| Zij heeft kinderen. | Zij heeft geen kinderen. |
| Hij is leraar. | Hij is geen leraar. |
Niet in voorbeelden
Ontken je geen zelfstandig naamwoord met een of zonder lidwoord? Dan gebruik je niet.
| Wat ontken je? | Voorbeeld |
|---|---|
| Een werkwoord | Ik slaap niet. |
| Een bijvoeglijk naamwoord | De soep is niet warm. |
| Iets met de of het | Dat is niet de bus. |
| Iets met mijn of jouw | Dit is niet mijn tas. |
| Een naam | Hij heet niet Jan. |
| Een plaats | Wij zijn niet thuis. |
Waar staat niet in de zin?
Ook de plek van niet ligt vast. Meestal staat niet direct voor het woord dat je ontkent. Ontken je de hele handeling? Dan staat niet achteraan.
| Situatie | Plek van niet | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Je ontkent het werkwoord | Achteraan | Ik werk niet. |
| Met het, hem of iets met de | Daarna, achteraan | Ik begrijp het niet. Ik zie de bus niet. |
| Twee werkwoorden | Voor het laatste werkwoord | Ik kan morgen niet komen. |
| Een bijvoeglijk naamwoord | Er direct voor | De auto is niet groot. |
| Een plaats | Er direct voor | Ik ben niet thuis. |