Naar de inhoud

Grammatica · A2

Niet of geen? Zo ontken je iets.

Gebruik geen bij een zelfstandig naamwoord met een of zonder lidwoord: Ik heb geen auto. Wij hebben geen tijd. Gebruik niet bij al het andere. Bijvoorbeeld bij een werkwoord, een naam of iets met de, het of mijn.

5 minuten lezenNaar de 20 vragen

Wil je zeggen dat iets niet zo is? Dan ontken je het. In het Nederlands heb je daar twee woorden voor: niet en geen. Welk woord je kiest, hangt af van het woord dat je ontkent.

De hoofdregel

Kijk naar het woord dat je ontkent. Is het een zelfstandig naamwoord met een, of zonder lidwoord? Dan gebruik je geen. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, ding of idee: auto, geld, kinderen. In alle andere gevallen gebruik je niet.

Gebruik geen

  • Bij een zelfstandig naamwoord met een: een auto wordt geen auto.
  • Bij een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord: geld wordt geen geld.
  • Bij een meervoud zonder lidwoord: kinderen wordt geen kinderen.

Gebruik niet

  • Bij een werkwoord: Ik werk niet.
  • Bij een bijvoeglijk naamwoord, een woord dat zegt hoe iets is: Het water is niet warm.
  • Bij iets bepaalds: met de, het, mijn of jouw, of bij een naam.

Geen in voorbeelden

In al deze zinnen staat een zelfstandig naamwoord met een, of zonder lidwoord. Daarom wordt het geen. Geen staat altijd direct voor dat woord.

Zonder ontkenningMet geen
Ik heb een pen.Ik heb geen pen.
Hij koopt een brood.Hij koopt geen brood.
Wij hebben tijd.Wij hebben geen tijd.
Zij heeft kinderen.Zij heeft geen kinderen.
Hij is leraar.Hij is geen leraar.

Niet in voorbeelden

Ontken je geen zelfstandig naamwoord met een of zonder lidwoord? Dan gebruik je niet.

Wat ontken je?Voorbeeld
Een werkwoordIk slaap niet.
Een bijvoeglijk naamwoordDe soep is niet warm.
Iets met de of hetDat is niet de bus.
Iets met mijn of jouwDit is niet mijn tas.
Een naamHij heet niet Jan.
Een plaatsWij zijn niet thuis.

Waar staat niet in de zin?

Ook de plek van niet ligt vast. Meestal staat niet direct voor het woord dat je ontkent. Ontken je de hele handeling? Dan staat niet achteraan.

SituatiePlek van nietVoorbeeld
Je ontkent het werkwoordAchteraanIk werk niet.
Met het, hem of iets met deDaarna, achteraanIk begrijp het niet. Ik zie de bus niet.
Twee werkwoordenVoor het laatste werkwoordIk kan morgen niet komen.
Een bijvoeglijk naamwoordEr direct voorDe auto is niet groot.
Een plaatsEr direct voorIk ben niet thuis.

Oefen: niet of geen?

20 zinnen uit het dagelijks leven. Kies niet of geen. Na elk antwoord zie je meteen waarom het goed of fout is.

Kies niet of geen.

  1. 1.

    Ik heb ... auto.

    niet · geen

  2. 2.

    De man werkt ....

    niet · geen

  3. 3.

    Het water is ... warm.

    niet · geen

  4. 4.

    Ik zie ... dokter.

    niet · geen

  5. 5.

    Wij hebben ... geld.

    niet · geen

  6. 6.

    Zij is ... blij.

    niet · geen

  7. 7.

    Dit is ... mijn huis.

    niet · geen

  8. 8.

    Zij heet ... Maria.

    niet · geen

  9. 9.

    Er zijn ... boeken.

    niet · geen

  10. 10.

    Jij bent ... te laat.

    niet · geen

  11. 11.

    Ik drink ... water.

    niet · geen

  12. 12.

    Ik begrijp het ....

    niet · geen

  13. 13.

    Dat is ... het station.

    niet · geen

  14. 14.

    Zij heeft ... kinderen.

    niet · geen

  15. 15.

    Het boek is ... duur.

    niet · geen

  16. 16.

    Ik drink ... bier.

    niet · geen

  17. 17.

    Ik kom ....

    niet · geen

  18. 18.

    Dit is ... jouw tas.

    niet · geen

  19. 19.

    Hij koopt ... brood.

    niet · geen

  20. 20.

    De kinderen slapen ....

    niet · geen

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over niet en geen

Wat is het verschil tussen niet en geen?

Geen gebruik je bij een zelfstandig naamwoord met een of zonder lidwoord: geen auto, geen geld. Niet gebruik je bij al het andere: Ik werk niet. Het is niet warm.

Is het "ik heb geen tijd" of "ik heb niet tijd"?

Ik heb geen tijd. Tijd is een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord. Dan gebruik je geen.

Waarom zeg je "dat is niet mijn huis"?

Mijn huis is een bepaald huis. Bij woorden met mijn, jouw, de of het gebruik je niet. Bij een huis zonder mijn zeg je wel: Ik heb geen huis.

Waar staat niet in de zin?

Meestal direct voor het woord dat je ontkent: niet groot, niet thuis. Ontken je de hele handeling, dan staat niet achteraan: Ik kom niet. Is er een tweede werkwoord, dan staat niet daarvoor: Ik kan niet komen.

Zeg je "ik spreek geen Nederlands"?

Ja. Nederlands is hier een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord. Dan gebruik je geen.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.