Een gewone Nederlandse zin begint met het onderwerp. Daarna komt het werkwoord: Ik werk vandaag. Het onderwerp is wie of wat iets doet. Bij inversie draai je die twee om: Werk ik vandaag? Het werkwoord staat dan voor het onderwerp.
Een ja/nee-vraag
Bij een vraag waarop je ja of nee antwoordt, zet je het werkwoord vooraan. Daarna komt het onderwerp.
| Gewone zin | Vraag |
|---|---|
| Jij bent moe. | Ben jij moe? |
| Hij woont in Rotterdam. | Woont hij in Rotterdam? |
| U heeft een paspoort. | Heeft u een paspoort? |
Een vraag met een vraagwoord
Begint de vraag met een vraagwoord, zoals wat, waar, wanneer of hoe? Dan staat het vraagwoord op plek 1. Het werkwoord staat op plek 2. Het onderwerp komt op plek 3.
| Plek 1 | Plek 2 (werkwoord) | Plek 3 (onderwerp) |
|---|---|---|
| Wat | doe | jij? |
| Waar | woont | u? |
| Wanneer | komt | hij? |
| Hoe | heet | zij? |
Een zin die begint met een tijd of plaats
Het werkwoord wil op plek 2 staan. Begin je de zin met een tijd (vandaag, morgen) of een plaats (hier, in de tuin)? Dan schuift het onderwerp naar plek 3.
| Gewone zin | Met inversie |
|---|---|
| Ik werk vandaag. | Vandaag werk ik. |
| Mijn zus woont hier. | Hier woont mijn zus. |
| Het kind speelt in de tuin. | In de tuin speelt het kind. |
Let op: jij en de -t
Bij jij krijgt het werkwoord normaal een -t: jij werkt, jij komt. Staat jij na het werkwoord? Dan valt die -t weg. Bij u, hij en zij blijft de -t staan.
Jij na het werkwoord: geen -t
- Werk jij morgen?
- Wat doe jij?
- Morgen kom jij.
U, hij, zij: de -t blijft
- Werkt u morgen?
- Wat doet hij?
- Morgen komt zij.