Naar de inhoud

Grammatica · A2

De toekomende tijd: ik ga morgen werken.

Over de toekomst praat je meestal met gaan en een heel werkwoord: Ik ga morgen werken. Gaan staat op plek 2. Het hele werkwoord staat achteraan. Met een tijdwoord kan het ook zonder gaan: Morgen werk ik.

5 minuten lezenNaar de 20 vragen

De toekomende tijd gebruik je voor iets wat nog moet gebeuren. In gewoon Nederlands doe je dat meestal met het werkwoord gaan. Bijvoorbeeld: ik ga koken, het gaat regenen, wij gaan verhuizen.

Gaan en het hele werkwoord

Je hebt twee werkwoorden nodig. Gaan staat op plek 2 en past bij het onderwerp. Het tweede werkwoord staat achteraan in de zin. Dat is het hele werkwoord, zoals werken of kopen. Dit heet ook de infinitief.

De vormen van gaan
OnderwerpGaanVoorbeeld
ikgaIk ga morgen werken.
jij, u, hij, zij, hetgaatHij gaat vanavond koken.
wij, jullie, zij (meervoud)gaanWij gaan samen fietsen.

Het tweede werkwoord staat achteraan

Tussen gaan en het tweede werkwoord staat de rest van de zin. Daar staan de tijd, het voorwerp en de plaats. Het tweede werkwoord sluit de zin af.

OnderwerpGaanMiddenAchteraan
Ikgamorgenwerken.
Hijgaatvanavond een filmkijken.
Wijgaanvolgende week naar Parijsreizen.
Mijn oudersgaanin juli een huiskopen.

Wanneer gebruik je gaan?

Gaan past bij bijna alles wat in de toekomst ligt.

  • Een plan: Ik ga morgen de boodschappen doen.
  • Iets wat je van plan bent: Ik ga Nederlands leren.
  • Iets wat je verwacht: Het gaat vanavond sneeuwen.

Morgen werk ik: de tegenwoordige tijd

Je kunt ook de tegenwoordige tijd gebruiken. Dat is de gewone tijd voor nu: ik werk, hij werkt. Zet er dan een tijdwoord bij, zoals morgen of volgende week. Zo is duidelijk dat het over later gaat.

  • Ik werk morgen.
  • Morgen werk ik.Het werkwoord blijft op plek 2.
  • Volgende week begint de cursus.

Zullen

Er is ook een werkwoord zullen: ik zal, hij zal, wij zullen. Het werkt net als gaan. Zullen staat op plek 2 en het hele werkwoord achteraan. In gewone gesprekken hoor je het minder vaak. Het klinkt vaak als een belofte: Ik zal je morgen bellen.

Twee handige vragen met zullen
VraagWat je doetVoorbeeld
Zal ik ...?Je biedt hulp aan.Zal ik je helpen?
Zullen we ...?Je doet een voorstel.Zullen we koffie drinken?

Oefen: de toekomende tijd met gaan

20 zinnen. Kies de goede vorm van gaan, het goede tweede werkwoord of allebei. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Kies wat er op de lege plek hoort.

  1. 1.

    Ik ... morgenochtend de boodschappen doen.

    gaat · ga · gaan

  2. 2.

    Anna ... volgend jaar een nieuwe taal leren.

    gaat · ga · gaan

  3. 3.

    Mijn vader ... vanavond de auto wassen.

    ga · gaan · gaat

  4. 4.

    Wij ... morgen vroeg opstaan.

    gaat · gaan · ga

  5. 5.

    De kinderen ... morgen zwemmen.

    gaat · gaan · ga

  6. 6.

    Het ... vanavond hard sneeuwen.

    gaat · ga · gaan

  7. 7.

    Ik ga morgen mijn vrienden ....

    bezocht · bezoeken · bezoek

  8. 8.

    Hij gaat volgende week de woning ....

    verkocht · verkoopt · verkopen

  9. 9.

    Wij gaan vanavond samen een spel ....

    speelt · spelen · gespeeld

  10. 10.

    De studenten gaan morgen voor het examen ....

    leren · leert · geleerd

  11. 11.

    Mijn moeder ... vanmiddag naar de markt fietsen.

    gaat · ga · gaan

  12. 12.

    Ik ga vanavond een nieuw boek ....

    gelezen · lees · lezen

  13. 13.

    Mijn ouders ... volgend jaar naar Italië reizen.

    gaat · gaan · ga

  14. 14.

    Wij gaan morgen het huis ....

    verkopen · verkoopt · verkocht

  15. 15.

    Mijn zus ... morgen haar kamer schilderen.

    gaat · ga · gaan

  16. 16.

    Ik ... morgen een nieuwe cursus ....

    gaat ... beginnen · ga ... begonnen · gaat ... begonnen · ga ... beginnen

  17. 17.

    Mijn dochter ... vanavond pannenkoeken ....

    gaan ... gemaakt · gaan ... maken · gaat ... gemaakt · gaat ... maken

  18. 18.

    De buren ... volgende maand ....

    gaat ... verhuizen · gaan ... verhuisd · gaat ... verhuisd · gaan ... verhuizen

  19. 19.

    Het ... morgen heel warm ....

    gaat ... worden · gaan ... geworden · gaan ... worden · gaat ... geworden

  20. 20.

    Wij ... vanavond pizza ....

    gaan ... besteld · gaat ... bestellen · gaat ... besteld · gaan ... bestellen

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over de toekomende tijd

Hoe maak je de toekomende tijd in het Nederlands?

Meestal met gaan en een heel werkwoord. Gaan staat op plek 2, het hele werkwoord achteraan: Ik ga morgen werken. Wij gaan volgende week verhuizen.

Wat is het verschil tussen gaan en zullen?

Allebei gaan over de toekomst. Gaan hoor je het meest in gewone gesprekken. Zullen klinkt formeler of als een belofte: Ik zal je bellen. Zal ik je helpen? is een vaste vraag om hulp aan te bieden.

Kun je de tegenwoordige tijd gebruiken voor de toekomst?

Ja, als er een tijdwoord bij staat: Ik werk morgen. Volgende week begint de cursus. Het tijdwoord maakt duidelijk dat het over later gaat.

Is het ik ga of ik gaat?

Bij ik is het ga: ik ga werken. Bij jij, u, hij en zij is het gaat. Bij wij, jullie en zij (meervoud) is het gaan. Staat jij na het werkwoord? Dan is het ook ga: Ga jij mee?

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.