Met de voltooide tijd vertel je wat er al gebeurd is: Ik heb gisteren hard gewerkt. In het Nederlands gebruik je deze tijd heel vaak als je over het verleden praat. Hij heeft twee delen: een hulpwerkwoord (hebben of zijn) en een voltooid deelwoord.
Twee delen: hulpwerkwoord en deelwoord
Het hulpwerkwoord staat op plek 2 en past bij het onderwerp: ik heb, hij heeft, wij hebben. Het voltooid deelwoord gaat naar het einde van de zin.
| Onderwerp | Hulpwerkwoord | Midden | Voltooid deelwoord |
|---|---|---|---|
| Ik | heb | gisteren hard | gewerkt. |
| Hij | is | om zeven uur | opgestaan. |
| Wij | hebben | een mooie film | gezien. |
Hebben of zijn?
De meeste werkwoorden krijgen hebben. Je gebruikt zijn als iemand naar een plek gaat, of als er iets verandert.
Met zijn
- Naar een plek gaan: Ik ben naar huis gegaan. Zij is naar kantoor gefietst.
- Iets verandert: Hij is leraar geworden. Het kind is gegroeid.
- Ook: zijn (ik ben geweest) en blijven (ik ben gebleven).
Met hebben
- Alle andere werkwoorden: eten, werken, bellen, slapen.
- Wij hebben pizza gegeten.
- Bewegen zonder plek: Ik heb gefietst. Ik heb gelopen.
Het voltooid deelwoord maken: 't kofschip
Bij een gewoon (zwak) werkwoord neem je de stam. Dat is het werkwoord zonder -en: werken wordt werk. Daarvoor zet je ge-. Daarachter komt -t of -d. Welke van de twee? Dat zegt het woord 't kofschip.
| Laatste letter van de stam | Deelwoord | Voorbeelden |
|---|---|---|
| t, k, f, s, ch of p (de letters van 't kofschip) | ge- + stam + t | werken: gewerkt. Dansen: gedanst. Kloppen: geklopt. |
| een andere letter | ge- + stam + d | leren: geleerd. Spelen: gespeeld. Volgen: gevolgd. |
Sterke werkwoorden
Veel gewone werkwoorden zijn sterk. Bij sterke werkwoorden verandert vaak de klinker. Het deelwoord eindigt dan meestal op -en. Hier is geen regel voor. Die leer je uit je hoofd, samen met het hulpwerkwoord.
| Werkwoord | Voltooide tijd |
|---|---|
| eten | ik heb gegeten |
| drinken | ik heb gedronken |
| schrijven | ik heb geschreven |
| lezen | ik heb gelezen |
| zien | ik heb gezien |
| geven | ik heb gegeven |
| vinden | ik heb gevonden |
| kopen | ik heb gekocht |
| denken | ik heb gedacht |
| gaan | ik ben gegaan |
| komen | ik ben gekomen |
| blijven | ik ben gebleven |
Zonder ge- of met ge- in het midden
Begint een werkwoord met be-, ge-, ver-, ont- of her-? Dan krijgt het deelwoord geen extra ge-: betalen wordt betaald. Bij een scheidbaar werkwoord, zoals opbellen, komt ge- in het midden: opgebeld.
| Werkwoord | Voltooid deelwoord |
|---|---|
| betalen | betaald |
| bezoeken | bezocht |
| vertellen | verteld |
| gebruiken | gebruikt |
| opbellen | opgebeld |
| meenemen | meegenomen |
| uitgaan | uitgegaan |