Naar de inhoud

Grammatica · A2

Voegwoorden: en, maar, want, of, dus.

Met de voegwoorden en, maar, want, of en dus maak je van twee zinnen één zin. Na het voegwoord blijft de woordvolgorde gewoon: Ik blijf thuis, want ik ben ziek. Je kiest het woord dat past bij de betekenis.

5 minuten lezenNaar de 20 vragen

Een voegwoord is een woord dat twee delen van een zin aan elkaar verbindt. Op deze pagina gaat het om vijf voegwoorden: en, maar, want, of en dus. Ze verbinden twee hoofdzinnen. Een hoofdzin is een zin die ook alleen kan staan, zoals: Ik ben ziek.

Deze vijf woorden heten nevenschikkende voegwoorden. Nevenschikkend betekent: naast elkaar. De twee zinnen blijven allebei een gewone zin. Er verandert niets aan de woordvolgorde.

De vijf voegwoorden

VoegwoordBetekenisVoorbeeld
eniets erbijIk werk en ik studeer.
maareen tegenstellingIk wil komen, maar ik kan niet.
wanteen redenIk blijf thuis, want ik ben ziek.
ofeen keuzeWil je koffie of thee?
duseen gevolgHet regent, dus ik neem een paraplu.

De woordvolgorde blijft gewoon

Na het voegwoord komt een gewone zin. Eerst het onderwerp, daarna het werkwoord op plek 2. Het voegwoord zelf telt niet mee. De tweede zin ziet er dus precies zo uit als wanneer hij alleen staat.

Zin 1VoegwoordOnderwerpWerkwoordRest
Ik ben moe,wantikwerkhard.
Het regent,duswijblijventhuis.
Hij belt,maarniemandneemtop.
Ik kookenzijdoetde afwas.

Want of dus?

Allebei gaan over een reden en een gevolg. Het verschil zit in de volgorde. Na want komt de reden. Na dus komt het gevolg.

Eerst het gevolg, dan want

  • Ik blijf thuis, want ik ben ziek.
  • Ik neem een jas mee, want het is koud.

Eerst de reden, dan dus

  • Ik ben ziek, dus ik blijf thuis.
  • Het is koud, dus ik neem een jas mee.

Soms geen hele zin

Een voegwoord kan ook twee woorden of korte stukjes verbinden. Dan komt er geen nieuw onderwerp na. Je hoeft dan ook niet op de woordvolgorde te letten.

  • Wil je koffie of thee?
  • De koffie was heet, maar niet sterk genoeg.
  • Ik werk en studeer.

Een komma of niet?

Voor maar, want en dus zet je meestal een komma. Voor en zet je meestal geen komma. Dat geldt ook voor of.

Oefen: kies het goede voegwoord

20 zinnen. Kies steeds een van de vijf voegwoorden. Kijk goed naar de betekenis van de twee delen. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Kies het voegwoord dat past.

  1. 1.

    De bakker opent de winkel ... hij zet het brood klaar.

    en · maar · want · of · dus

  2. 2.

    De koffie was heet, ... niet sterk genoeg.

    en · maar · want · of · dus

  3. 3.

    Neem je de bus ... de tram naar het centrum?

    en · maar · want · of · dus

  4. 4.

    De kinderen zijn ziek, ... wij blijven vandaag thuis.

    en · maar · want · of · dus

  5. 5.

    Ik kom niet naar het feest, ... ik ben ziek.

    en · maar · want · of · dus

  6. 6.

    De vergadering eindigt om vijf uur ... wij gaan daarna eten.

    en · maar · want · of · dus

  7. 7.

    Mijn buurman is aardig, ... hij maakt veel lawaai.

    en · maar · want · of · dus

  8. 8.

    De printer is kapot, ... wij gebruiken vandaag de andere.

    en · maar · want · of · dus

  9. 9.

    Wil je het nu betalen ... na het eten?

    en · maar · want · of · dus

  10. 10.

    Wij kopen die auto niet, ... het is te duur.

    en · maar · want · of · dus

  11. 11.

    De hond rent door de tuin ... de kat slaapt op de bank.

    en · maar · want · of · dus

  12. 12.

    De zon scheen, ... het was nog steeds koud buiten.

    en · maar · want · of · dus

  13. 13.

    Eet je rijst ... pasta bij het avondeten?

    en · maar · want · of · dus

  14. 14.

    Het ijs smelt snel, ... wij eten het meteen op.

    en · maar · want · of · dus

  15. 15.

    Hij neemt zijn jas mee, ... het regent buiten.

    en · maar · want · of · dus

  16. 16.

    Ik leer Nederlands ... ik probeer elke dag te oefenen.

    en · maar · want · of · dus

  17. 17.

    Zij is een goede zangeres, ... zij heeft podiumvrees.

    en · maar · want · of · dus

  18. 18.

    Beginnen wij met de soep ... met de salade?

    en · maar · want · of · dus

  19. 19.

    De batterij is leeg, ... ik kan niet bellen.

    en · maar · want · of · dus

  20. 20.

    Wij eten geen vlees, ... wij houden van dieren.

    en · maar · want · of · dus

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over voegwoorden

Wat zijn voegwoorden?

Voegwoorden zijn woorden die twee delen van een zin verbinden. Voorbeelden zijn en, maar, want, of, dus, omdat en als. Met een voegwoord maak je van twee korte zinnen één langere zin.

Wat zijn nevenschikkende voegwoorden?

Dat zijn de voegwoorden en, maar, want, of en dus. Ze verbinden twee hoofdzinnen. De woordvolgorde blijft na deze woorden gewoon: het werkwoord staat op plek 2.

Wat is het verschil tussen want en omdat?

Ze betekenen hetzelfde. Na want blijft het werkwoord op plek 2: want ik ben ziek. Na omdat gaat het werkwoord naar het einde: omdat ik ziek ben. Allebei zijn goed Nederlands.

Zet je een komma voor maar?

Ja, meestal wel: Ik wil komen, maar ik kan niet. Dat geldt ook voor want en dus. Voor en of of zet je meestal geen komma.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.