Met de verleden tijd vertel je wat er vroeger was of gebeurde: Ik was moe. Wij woonden in Utrecht. Een andere naam is de onvoltooid verleden tijd. Het verschil met de voltooide tijd: de verleden tijd is maar één werkwoord. Ik werkte. De voltooide tijd heeft er twee: ik heb gewerkt.
Verleden tijd of voltooide tijd?
Allebei gaan over het verleden. Vaak zijn ze allebei goed. Toch klinkt de ene vorm soms gewoner dan de andere.
Meestal de verleden tijd
- Je beschrijft hoe iets was: Het was koud. Ik had honger.
- Met kunnen, moeten, willen en mogen: Ik kon niet komen.
- Je vertelt een verhaal in stappen: Ik stond op. Daarna ging ik naar mijn werk.
Meestal de voltooide tijd
- Je zegt kort wat je gedaan hebt: Ik heb gisteren gebeld.
- Hij is naar huis gegaan.
- Wij hebben pizza gegeten.
Gewone werkwoorden: -te of -de
Bij een gewoon (zwak) werkwoord neem je de stam. Dat is het werkwoord zonder -en: werken wordt werk. Daarachter zet je -te of -de. In het meervoud wordt dat -ten of -den.
Welke van de twee? Kijk naar de laatste letter van de stam. Is dat een t, k, f, s, ch of p? Dat zijn de medeklinkers van het woord 't kofschip. Dan krijg je -te. Bij alle andere letters krijg je -de.
| Werkwoord | Stam | Enkelvoud | Meervoud |
|---|---|---|---|
| werken | werk | ik werkte | wij werkten |
| fietsen | fiets | ik fietste | wij fietsten |
| koken | kook | ik kookte | wij kookten |
| wonen | woon | ik woonde | wij woonden |
| leren | leer | ik leerde | wij leerden |
| spelen | speel | ik speelde | wij speelden |
Eén vorm voor ik, jij en hij
In de verleden tijd hebben ik, jij, u, hij en zij dezelfde vorm. Er komt geen extra -t bij. Alleen het meervoud is anders: wij, jullie en zij.
| Onderwerp | werken | zijn | hebben |
|---|---|---|---|
| ik, jij, u, hij, zij | werkte | was | had |
| wij, jullie, zij | werkten | waren | hadden |
Sterke en onregelmatige werkwoorden
Veel werkwoorden die je elke dag gebruikt, volgen de regel niet. Dat zijn de sterke werkwoorden. Ze krijgen geen -te of -de. Vaak verandert de klinker: geven wordt gaf. Sommige werkwoorden veranderen nog meer: zijn wordt was.
Het meervoud maak je meestal met -en achter de vorm van het enkelvoud: ging, gingen. Soms verandert de spelling een beetje: gaf, gaven. Las, lazen.
| Werkwoord | Enkelvoud | Meervoud |
|---|---|---|
| zijn | was | waren |
| hebben | had | hadden |
| kunnen | kon | konden |
| moeten | moest | moesten |
| willen | wilde (of wou) | wilden |
| mogen | mocht | mochten |
| gaan | ging | gingen |
| komen | kwam | kwamen |
| doen | deed | deden |
| zien | zag | zagen |
| zeggen | zei | zeiden |
| geven | gaf | gaven |
| vinden | vond | vonden |
| blijven | bleef | bleven |
| weten | wist | wisten |
| denken | dacht | dachten |
| nemen | nam | namen |
| lezen | las | lazen |