Naar de inhoud

Grammatica · A2

De verleden tijd: ik werkte, ik ging.

De verleden tijd is één woord: ik werkte, ik woonde, ik ging. Bij een gewoon werkwoord zet je -te of -de achter de stam. Sterke werkwoorden krijgen een andere klinker: gaan wordt ging. Die leer je uit je hoofd.

7 minuten lezenNaar de 20 vragen

Met de verleden tijd vertel je wat er vroeger was of gebeurde: Ik was moe. Wij woonden in Utrecht. Een andere naam is de onvoltooid verleden tijd. Het verschil met de voltooide tijd: de verleden tijd is maar één werkwoord. Ik werkte. De voltooide tijd heeft er twee: ik heb gewerkt.

Verleden tijd of voltooide tijd?

Allebei gaan over het verleden. Vaak zijn ze allebei goed. Toch klinkt de ene vorm soms gewoner dan de andere.

Meestal de verleden tijd

  • Je beschrijft hoe iets was: Het was koud. Ik had honger.
  • Met kunnen, moeten, willen en mogen: Ik kon niet komen.
  • Je vertelt een verhaal in stappen: Ik stond op. Daarna ging ik naar mijn werk.

Meestal de voltooide tijd

  • Je zegt kort wat je gedaan hebt: Ik heb gisteren gebeld.
  • Hij is naar huis gegaan.
  • Wij hebben pizza gegeten.

Gewone werkwoorden: -te of -de

Bij een gewoon (zwak) werkwoord neem je de stam. Dat is het werkwoord zonder -en: werken wordt werk. Daarachter zet je -te of -de. In het meervoud wordt dat -ten of -den.

Welke van de twee? Kijk naar de laatste letter van de stam. Is dat een t, k, f, s, ch of p? Dat zijn de medeklinkers van het woord 't kofschip. Dan krijg je -te. Bij alle andere letters krijg je -de.

De verleden tijd van gewone werkwoorden
WerkwoordStamEnkelvoudMeervoud
werkenwerkik werktewij werkten
fietsenfietsik fietstewij fietsten
kokenkookik kooktewij kookten
wonenwoonik woondewij woonden
lerenleerik leerdewij leerden
spelenspeelik speeldewij speelden

Eén vorm voor ik, jij en hij

In de verleden tijd hebben ik, jij, u, hij en zij dezelfde vorm. Er komt geen extra -t bij. Alleen het meervoud is anders: wij, jullie en zij.

Onderwerpwerkenzijnhebben
ik, jij, u, hij, zijwerktewashad
wij, jullie, zijwerktenwarenhadden

Sterke en onregelmatige werkwoorden

Veel werkwoorden die je elke dag gebruikt, volgen de regel niet. Dat zijn de sterke werkwoorden. Ze krijgen geen -te of -de. Vaak verandert de klinker: geven wordt gaf. Sommige werkwoorden veranderen nog meer: zijn wordt was.

Het meervoud maak je meestal met -en achter de vorm van het enkelvoud: ging, gingen. Soms verandert de spelling een beetje: gaf, gaven. Las, lazen.

De belangrijkste onregelmatige werkwoorden
WerkwoordEnkelvoudMeervoud
zijnwaswaren
hebbenhadhadden
kunnenkonkonden
moetenmoestmoesten
willenwilde (of wou)wilden
mogenmochtmochten
gaanginggingen
komenkwamkwamen
doendeeddeden
zienzagzagen
zeggenzeizeiden
gevengafgaven
vindenvondvonden
blijvenbleefbleven
wetenwistwisten
denkendachtdachten
nemennamnamen
lezenlaslazen

Oefen: de verleden tijd

20 zinnen met de werkwoorden die je het meest nodig hebt. Boven elke zin staat het hele werkwoord. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Kies de goede vorm van de verleden tijd.

  1. 1.

    zijn

    Vorige zomer ... ik in Italië.

    was · is · waren · zijn

  2. 2.

    hebben

    Vorig weekend ... wij veel plezier.

    had · heeft · hadden · hebben

  3. 3.

    kunnen

    Ik ... hem niet verstaan.

    kon · kunde · kunden · konden

  4. 4.

    gaan

    De leerlingen ... samen naar het museum.

    gingen · ging · gaande · gaanden

  5. 5.

    denken

    Ik ... dat het zaterdag was.

    dacht · dachten · denkte · denkten

  6. 6.

    zien

    Wij ... haar op de markt.

    zag · zienden · zagen · ziende

  7. 7.

    doen

    Ik ... gisteren de boodschappen.

    deed · deden · doeten · doete

  8. 8.

    zijn

    De kamer ... vroeger heel klein.

    zijn · was · waren · is

  9. 9.

    hebben

    Mijn broer ... gisteren koorts.

    hadden · heeft · hebben · had

  10. 10.

    moeten

    De wandelaars ... ver lopen.

    moette · moetten · moest · moesten

  11. 11.

    komen

    Ik ... rond acht uur thuis.

    kwamen · komden · kwam · komde

  12. 12.

    weten

    Jij ... het antwoord.

    wisten · wist · weetten · weette

  13. 13.

    vinden

    De leerlingen ... het boek interessant.

    vonden · vindte · vond · vindten

  14. 14.

    blijven

    Ik ... de hele ochtend in bed.

    blijfte · bleven · bleef · blijften

  15. 15.

    zijn

    Mijn grootouders ... vroeger heel gul.

    zijn · waren · was · is

  16. 16.

    hebben

    Jij ... gisteren een goed idee.

    heeft · had · hebben · hadden

  17. 17.

    mogen

    Wij ... niet naar binnen.

    mocht · mogde · mochten · mogden

  18. 18.

    gaan

    Mijn zus ... vorige maand naar Berlijn.

    gingen · gaande · gaanden · ging

  19. 19.

    zeggen

    De leraren ... dat het prima was.

    zei · zeiden · zegde · zegten

  20. 20.

    geven

    Mijn baas ... mij een bonus.

    geefde · gaf · geefden · gaven

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over de verleden tijd

Wat is de onvoltooid verleden tijd?

Dat is de verleden tijd met één werkwoord: ik werkte, ik ging, ik was. De voltooide tijd heeft twee werkwoorden: ik heb gewerkt. Allebei gaan over het verleden.

Wanneer krijgt de verleden tijd -te en wanneer -de?

Kijk naar de laatste letter van de stam. Is dat een t, k, f, s, ch of p? Dan krijg je -te: werkte, fietste. Dat zijn de medeklinkers van 't kofschip. Bij andere letters krijg je -de: woonde, leerde.

Wat zijn sterke werkwoorden?

Werkwoorden die in de verleden tijd geen -te of -de krijgen. Vaak verandert de klinker: geven wordt gaf, komen wordt kwam. Er is geen regel voor. Je leert ze uit je hoofd.

Wat is het verschil tussen sterke en onregelmatige werkwoorden?

Bij een sterk werkwoord verandert alleen de klinker: lopen, liep. Bij een onregelmatig werkwoord verandert meer: zijn, was. Of het past niet in één groep: denken, dacht. Voor het leren maakt het weinig uit. Je leert ze allebei uit je hoofd.

Krijgt jij een -t in de verleden tijd?

Nee. In de verleden tijd hebben ik, jij en hij dezelfde vorm. Je zegt: ik had, jij had, hij had. Alleen het meervoud is anders: wij hadden.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.