Hoe je de werkwoordstijden maakt, leer je op A2 en B1. Op deze pagina gaat het om iets anders: welke tijd kies je? Twee tijden gaan allebei over het verleden. De keuze hangt af van wat je doet. Noem je een feit? Of vertel je een verhaal?
De tijden op een rij
In lesboeken zie je soms Latijnse namen. Die staan hieronder ook. Ze betekenen hetzelfde.
| Tijd | Voorbeeld | Waarvoor? |
|---|---|---|
| Tegenwoordige tijd | ik woon | nu, of iets wat nog doorgaat |
| Voltooide tijd (perfectum) | ik heb gewoond | een feit uit het verleden |
| Verleden tijd (imperfectum) | ik woonde | een verhaal, of hoe iets was |
| Voltooid verleden tijd (plusquamperfectum) | ik had gewoond | iets wat nog eerder gebeurde |
| Toekomende tijd | ik zal wonen | later, of een belofte |
Een feit of een verhaal?
Dit is de kern. Met de voltooide tijd noem je een feit. Het is klaar en het is nu nog belangrijk. Met de verleden tijd beschrijf je hoe iets was. Of je vertelt wat er na elkaar gebeurde.
Voltooide tijd: een feit
- Ik heb mijn sleutels verloren. Ik kan nu niet naar binnen.
- Heb je dat gezien?
- Eén ding, het is klaar.
Verleden tijd: een verhaal
- Het was koud en het regende.
- Vroeger woonde ik in Spanje.
- Een beeld, of dingen na elkaar.
Een verhaal: begin met de voltooide tijd
Vertel je een langer verhaal? Begin dan met één zin in de voltooide tijd. Daarmee zeg je waar het over gaat. Daarna vertel je het verhaal zelf in de verleden tijd. Zo klinkt een verhaal in het Nederlands gewoon.
Zo klinkt het
- Ik heb gisteren een ongeluk gezien.voltooide tijd: waar gaat het over?
- Ik fietste naar mijn werk. Het regende hard.verleden tijd: het verhaal begint
- Een auto remde te laat en botste tegen een paal.verleden tijd: wat er gebeurde
- Gelukkig was er niemand gewond.verleden tijd: hoe het afliep
Was, had, kon, moest: meestal de verleden tijd
Bij zijn, hebben en de modale werkwoorden kies je meestal de verleden tijd. Ook als het maar één keer was. Je beschrijft dan hoe iets was, wat je kon of wat je moest.
| Werkwoord | Voorbeeld |
|---|---|
| zijn | Ik was gisteren ziek. |
| hebben | We hadden geen tijd. |
| kunnen | Ik kon niet komen. |
| moeten | Hij moest werken. |
| willen | Zij wilde niet mee. |
De voltooide tijd mag ook. Dan noem je een feit: Ik ben in Parijs geweest. Je zegt dan dat je er ooit was. Je vertelt geen verhaal.
Wat gebeurde er nog eerder?
Soms vertel je in een verhaal over iets wat nog eerder gebeurde. Dan kies je de voltooid verleden tijd: had of was plus een voltooid deelwoord. Onderweg kwam ik een vriend tegen. Ik had hem jaren niet gezien.
Iets over nu of later
- Gaat iets nog steeds door? Dan kies je de tegenwoordige tijd, vaak met al: Ik woon hier al drie jaar.
- Gaat het over later, of beloof je iets? Dan gebruik je zullen: Ik zal die dag nooit vergeten.
- Iets wat altijd waar is, blijft in de tegenwoordige tijd: Hij vertelde dat water bij 100 graden kookt.