Naar de inhoud

Grammatica · B2

Werkwoordstijden: welke tijd kies je in een verhaal?

Vertel je over iets van vroeger? Begin met de voltooide tijd: Ik heb gisteren een ongeluk gezien. Vertel daarna verder in de verleden tijd: Ik fietste naar mijn werk. Gebeurde iets nog eerder? Dan kies je de voltooid verleden tijd: had gezien.

7 minuten lezenNaar de 12 vragen

Hoe je de werkwoordstijden maakt, leer je op A2 en B1. Op deze pagina gaat het om iets anders: welke tijd kies je? Twee tijden gaan allebei over het verleden. De keuze hangt af van wat je doet. Noem je een feit? Of vertel je een verhaal?

De tijden op een rij

In lesboeken zie je soms Latijnse namen. Die staan hieronder ook. Ze betekenen hetzelfde.

TijdVoorbeeldWaarvoor?
Tegenwoordige tijdik woonnu, of iets wat nog doorgaat
Voltooide tijd (perfectum)ik heb gewoondeen feit uit het verleden
Verleden tijd (imperfectum)ik woondeeen verhaal, of hoe iets was
Voltooid verleden tijd (plusquamperfectum)ik had gewoondiets wat nog eerder gebeurde
Toekomende tijdik zal wonenlater, of een belofte

Een feit of een verhaal?

Dit is de kern. Met de voltooide tijd noem je een feit. Het is klaar en het is nu nog belangrijk. Met de verleden tijd beschrijf je hoe iets was. Of je vertelt wat er na elkaar gebeurde.

Voltooide tijd: een feit

  • Ik heb mijn sleutels verloren. Ik kan nu niet naar binnen.
  • Heb je dat gezien?
  • Eén ding, het is klaar.

Verleden tijd: een verhaal

  • Het was koud en het regende.
  • Vroeger woonde ik in Spanje.
  • Een beeld, of dingen na elkaar.

Een verhaal: begin met de voltooide tijd

Vertel je een langer verhaal? Begin dan met één zin in de voltooide tijd. Daarmee zeg je waar het over gaat. Daarna vertel je het verhaal zelf in de verleden tijd. Zo klinkt een verhaal in het Nederlands gewoon.

Zo klinkt het

  • Ik heb gisteren een ongeluk gezien.voltooide tijd: waar gaat het over?
  • Ik fietste naar mijn werk. Het regende hard.verleden tijd: het verhaal begint
  • Een auto remde te laat en botste tegen een paal.verleden tijd: wat er gebeurde
  • Gelukkig was er niemand gewond.verleden tijd: hoe het afliep

Was, had, kon, moest: meestal de verleden tijd

Bij zijn, hebben en de modale werkwoorden kies je meestal de verleden tijd. Ook als het maar één keer was. Je beschrijft dan hoe iets was, wat je kon of wat je moest.

WerkwoordVoorbeeld
zijnIk was gisteren ziek.
hebbenWe hadden geen tijd.
kunnenIk kon niet komen.
moetenHij moest werken.
willenZij wilde niet mee.

De voltooide tijd mag ook. Dan noem je een feit: Ik ben in Parijs geweest. Je zegt dan dat je er ooit was. Je vertelt geen verhaal.

Wat gebeurde er nog eerder?

Soms vertel je in een verhaal over iets wat nog eerder gebeurde. Dan kies je de voltooid verleden tijd: had of was plus een voltooid deelwoord. Onderweg kwam ik een vriend tegen. Ik had hem jaren niet gezien.

Iets over nu of later

  • Gaat iets nog steeds door? Dan kies je de tegenwoordige tijd, vaak met al: Ik woon hier al drie jaar.
  • Gaat het over later, of beloof je iets? Dan gebruik je zullen: Ik zal die dag nooit vergeten.
  • Iets wat altijd waar is, blijft in de tegenwoordige tijd: Hij vertelde dat water bij 100 graden kookt.

Oefen: werkwoordstijden in een verhaal

Eén verhaal met 12 lege plekken. Bij elke vraag zie je het hele verhaal, met één plek gemarkeerd. Kies de vorm die daar past. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Kies wat er op de gemarkeerde plek hoort.

  1. 1.

    beleef · had · was · heb

    Een dag om niet te vergeten (1)

  2. 2.

    beleefde · beleefd · beleven · beleef

    Een dag om niet te vergeten (2)

  3. 3.

    werd · is geweest · was · is

    Een dag om niet te vergeten (3)

  4. 4.

    ga · ging · ben gegaan · was gegaan

    Een dag om niet te vergeten (4)

  5. 5.

    ben gekomen · was gekomen · kwam · kom

    Een dag om niet te vergeten (5)

  6. 6.

    was · heb · had · ben

    Een dag om niet te vergeten (6)

  7. 7.

    zien · ziet · zag · gezien

    Een dag om niet te vergeten (7)

  8. 8.

    hebben gedronken · drinken · waren gedronken · dronken

    Een dag om niet te vergeten (8)

  9. 9.

    praatten · waren gepraat · praten · hebben gepraat

    Een dag om niet te vergeten (9)

  10. 10.

    werd · wordt · zal worden · is geworden

    Een dag om niet te vergeten (10)

  11. 11.

    gaan · zijn gegaan · gingen · waren gegaan

    Een dag om niet te vergeten (11)

  12. 12.

    heb · was · had · zal

    Een dag om niet te vergeten (12)

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over werkwoordstijden

Hoeveel werkwoordstijden heeft het Nederlands?

In het dagelijks leven gebruik je er vooral vijf. De tegenwoordige tijd, de verleden tijd, de voltooide tijd, de voltooid verleden tijd en de toekomende tijd met zullen. Lesboeken noemen er soms acht.

Wat is het verschil tussen perfectum en imperfectum?

Het perfectum is de voltooide tijd: ik heb gewerkt. Daarmee noem je een feit. Het imperfectum is de verleden tijd: ik werkte. Daarmee vertel je een verhaal of beschrijf je hoe iets was.

Mag je de voltooide tijd gebruiken met gisteren?

Ja. Ik heb gisteren pizza gegeten is goed Nederlands. In het Engels kan dat niet, maar in het Nederlands wel.

Welke tijd gebruik je als je een verhaal vertelt?

Begin met één zin in de voltooide tijd: Ik heb gisteren iets geks meegemaakt. Vertel daarna verder in de verleden tijd. Iets wat nog eerder gebeurde, krijgt de voltooid verleden tijd.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.