Naar de inhoud

Woordenschat · A2

Lichaamsdelen, van hoofd tot teen.

Bij de huisarts moet je kunnen zeggen waar je pijn hebt. Daarvoor heb je de namen van de lichaamsdelen nodig. Hier leer je ze, met de of het erbij. Ook leer je woorden om iemand te beschrijven.

Oefen met flashcards

Je ziet een Nederlands woord. Weet je wat het betekent? Draai de kaart om en kijk of je het goed had. Daarna kies je: ken ik, of nog niet.

Kaart 1 van 410

Alle woorden van dit thema

Een zelfstandig naamwoord leer je altijd met de of het erbij. Dat heb je nodig om goede zinnen te maken.

  1. het lichaamthe body

    Rusten is goed voor je lichaam.

  2. het hoofdthe head

    Mijn hoofd doet pijn.

  3. het gezichtthe face

    Zij heeft een vriendelijk gezicht.

  4. het haarthe hair

    Mijn haar is vandaag heel kort.

  5. het oogthe eye

    Ik zie met mijn ogen.

  6. het oorthe ear

    Ik luister met mijn oren.

  7. de neusthe nose

    Mijn neus is verstopt door de verkoudheid.

  8. de mondthe mouth

    Eet met je mond dicht.

  9. de tandthe tooth

    Ik poets elke avond mijn tanden.

  10. de lipthe lip

    Mijn lippen zijn droog in de winter.

  11. de tongthe tongue

    De soep was zo heet dat ik mijn tong brandde.

  12. de wangthe cheek

    Oma geeft een kus op mijn wang.

  13. de keelthe throat

    Ik heb pijn in mijn keel.

  14. de nekthe neck

    Mijn nek is stijf na het slapen.

  15. de schouderthe shoulder

    De dokter kijkt naar mijn linkerschouder.

  16. de armthe arm

    Mijn arm is gebroken.

  17. de elleboogthe elbow

    Ik stootte mijn elleboog tegen de tafel.

  18. de handthe hand

    Was je handen met zeep.

  19. de vingerthe finger

    Ik heb mijn vinger gesneden in de keuken.

  20. de borstthe chest

    Ik voel pijn op mijn borst.

  21. de buikthe stomach

    Ik heb buikpijn.

  22. de rugthe back

    Mijn rug doet pijn door het werk.

  23. de navelthe belly button

    De baby wijst naar zijn navel.

  24. het beenthe leg

    Ik heb pijn in mijn been.

  25. de kniethe knee

    Mijn knie doet pijn na het hardlopen.

  26. de voetthe foot

    Mijn voet doet pijn bij het lopen.

  27. de teenthe toe

    Ik heb mijn teen gestoten tegen de tafel.

  28. het hartthe heart

    Mijn hart klopt heel snel.

  29. de spierthe muscle

    Na het sporten doet elke spier pijn.

  30. de huidthe skin

    In de zon wordt mijn huid snel rood.

  31. de stemthe voice

    Hij heeft een lage stem.

  32. de lengtethe height

    Wat is uw lengte in centimeters?

  33. het gewichtthe weight

    De dokter noteert mijn gewicht.

  34. dikfat

    De kat is een beetje dik.

  35. dunthin

    Hij is lang en dun.

  36. sterkstrong

    Mijn opa is nog heel sterk.

  37. jongyoung

    Zij ziet er nog heel jong uit.

  38. blondblond

    Het kind heeft blond haar.

  39. de baardthe beard

    Mijn vader heeft een grijze baard.

  40. eruitziento look (like)

    Je ziet er moe uit vandaag.

  41. lijken opto look like

    Mijn dochter lijkt op haar moeder.

Zeggen waar je pijn hebt

Bij de huisarts gebruik je vaak dezelfde zinnen. Met deze vier kom je al ver.

Mijn hoofd doet pijn.
doet pijn: bij één lichaamsdeel
Mijn voeten doen pijn.
doen pijn: bij meer dan één
Ik heb pijn in mijn rug.
pijn in + mijn + lichaamsdeel
Ik heb buikpijn.
ook: hoofdpijn, keelpijn, rugpijn
Inburgerings
cursus.nl

Meer woorden leren met Inburgeringscursus.nl

Deze woorden komen uit de woordtrainer van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Op deze site oefen je per thema. In de cursus oefen je alle woorden, van A2 tot B2.

  • Ruim 3.000 woorden, met uitspraak bij elk woord en elke zin.
  • Elk woord komt terug op het moment dat je het bijna vergeet.
  • Je ziet welke woorden je nog lastig vindt.

De cursus is betaald. De woordenlijsten op deze site blijven gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.