Naar de inhoud

Woordenschat · A2

Werk in het Nederlands.

Op je werk, bij een sollicitatie en op je loonstrook kom je steeds dezelfde woorden tegen. Hier leer je ze. Werk is ook een onderwerp bij KNM.

Oefen met flashcards

Je ziet een Nederlands woord. Weet je wat het betekent? Draai de kaart om en kijk of je het goed had. Daarna kies je: ken ik, of nog niet.

Kaart 1 van 490

Alle woorden van dit thema

Een zelfstandig naamwoord leer je altijd met de of het erbij. Dat heb je nodig om goede zinnen te maken.

  1. het werkthe work

    Ik ga morgen naar mijn werk.

  2. de baanthe job

    Ik heb een nieuwe baan.

  3. het beroepthe profession

    Wat is uw beroep?

  4. het bedrijfthe company

    Dit bedrijf maakt auto's.

  5. het kantoorthe office

    Ik werk op een kantoor.

  6. de afdelingthe department

    Ik werk op de afdeling verkoop.

  7. het teamthe team

    Ons team werkt goed samen.

  8. de collegathe colleague

    Jan is een goede collega.

  9. de baasthe boss

    De baas is tevreden.

  10. de werkgeverthe employer

    Mijn werkgever betaalt mijn salaris elke maand.

  11. de werknemerthe employee

    Elke werknemer heeft recht op vakantie.

  12. de directeurthe director

    De directeur leidt het hele bedrijf.

  13. de klantthe customer

    De klant koopt een product.

  14. de taakthe task

    Mijn eerste taak is de e-mails lezen.

  15. de vergaderingthe meeting

    We hebben morgen een vergadering om negen uur.

  16. het roosterthe schedule

    In mijn rooster zie ik wanneer ik moet werken.

  17. de werktijdthe working time

    Mijn werktijd is van 09.00 tot 17.00.

  18. de pauzethe break

    Ik heb om 12.00 pauze.

  19. vrijfree / off

    Ik ben vandaag vrij.

  20. de vakantiethe vacation

    Ik ga in juli op vakantie.

  21. het verlofthe leave

    Ik vraag verlof aan omdat mijn kind ziek is.

  22. ziek meldento call in sick

    Ik moet me vandaag ziek melden.

  23. het loonthe wage

    Het loon wordt op mijn bankrekening gestort.

  24. het salaristhe salary

    Mijn salaris is goed.

  25. verdienento earn

    Ik verdien genoeg om de huur te betalen.

  26. de loonstrookthe payslip

    Op mijn loonstrook zie ik hoeveel belasting ik betaal.

  27. het contractthe contract

    Ik teken mijn contract.

  28. vastpermanent

    Ik heb een vast contract bij dit bedrijf.

  29. tijdelijktemporary

    Dit is maar een tijdelijke baan voor de zomer.

  30. de voltijdthe full-time

    Hij zoekt een baan in voltijd, want hij wil veertig uur werken.

  31. de deeltijdthe part-time

    Ik werk in deeltijd, drie dagen per week.

  32. de vacaturethe vacancy

    Er is een vacature voor een verkoper.

  33. solliciterento apply

    Ik ga solliciteren naar een baan.

  34. de sollicitatiethe job application

    Ik heb mijn sollicitatie vandaag verstuurd.

  35. de sollicitatiebriefthe application letter

    Ik schrijf een sollicitatiebrief voor de baan in de supermarkt.

  36. de motivatiebriefthe cover letter

    In mijn motivatiebrief leg ik uit waarom ik de baan wil.

  37. het cvthe resume

    Stuur uw cv en uw motivatiebrief naar dit e-mailadres.

  38. het gesprekthe interview / conversation

    Morgen heb ik een gesprek.

  39. het sollicitatiegesprekthe job interview

    Morgen heb ik een sollicitatiegesprek bij een groot bedrijf.

  40. de ervaringthe experience

    Heb je ervaring in dit werk?

  41. de werkervaringthe work experience

    Voor deze baan heb je twee jaar werkervaring nodig.

  42. het diplomathe diploma

    Ik heb mijn diploma gehaald.

  43. de opleidingthe training course

    Voor deze baan heb je een opleiding nodig.

  44. de stagethe internship

    Mijn zoon loopt stage bij een groot bedrijf.

  45. het vrijwilligerswerkthe volunteer work

    Zij doet vrijwilligerswerk in een buurthuis om ervaring op te doen.

  46. het ontslagthe dismissal

    Hij kreeg vorige week ontslag.

  47. werkloosunemployed

    Hij is sinds vorige maand werkloos.

  48. de uitkeringthe benefit payment

    Zonder werk krijgt zij een uitkering van de gemeente.

  49. de horecathe hospitality sector

    Ik heb jaren in de horeca gewerkt.

Handige zinnen op het werk

Deze zinnen gebruik je vaak op je werk of als je een baan zoekt.

Ik ben ziek. Ik kan vandaag niet komen.
als je je ziek meldt
Hoeveel uur per week is de baan?
bij een vacature
Wanneer krijg ik mijn salaris?
aan je werkgever
Ik heb een vast contract.
het tegenovergestelde van tijdelijk
Inburgerings
cursus.nl

Meer woorden leren met Inburgeringscursus.nl

Deze woorden komen uit de woordtrainer van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Op deze site oefen je per thema. In de cursus oefen je alle woorden, van A2 tot B2.

  • Ruim 3.000 woorden, met uitspraak bij elk woord en elke zin.
  • Elk woord komt terug op het moment dat je het bijna vergeet.
  • Je ziet welke woorden je nog lastig vindt.

De cursus is betaald. De woordenlijsten op deze site blijven gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.