Een bijzin is een deel van een zin dat niet alleen kan staan. Neem: omdat ik ziek ben. Dat is geen hele zin. Je mist iets. Een bijzin hoort daarom altijd bij een hoofdzin: Ik blijf thuis, omdat ik ziek ben.
Een bijzin begint vaak met een voegwoord. Dat is een woord dat twee delen van een zin verbindt. De voegwoorden op deze pagina heten onderschikkende voegwoorden: omdat, dat, als, wanneer, toen, terwijl en hoewel.
De regel: het werkwoord achteraan
In een gewone zin staat het werkwoord op plek 2: ik ben ziek. In een bijzin schuift het werkwoord naar het einde: omdat ik ziek ben. Dat is het grote verschil.
| Hoofdzin | Voegwoord | Bijzin |
|---|---|---|
| Ik blijf thuis, | omdat | ik ziek ben. |
| Hij zegt | dat | hij morgen komt. |
| Wij gaan wandelen, | als | het mooi weer is. |
| Ik woonde in Utrecht, | toen | ik klein was. |
Heeft de bijzin twee werkwoorden? Dan staan ze allebei achteraan: omdat ik morgen moet werken. Een scheidbaar werkwoord wordt achteraan weer één woord: Weet jij wanneer de winkel opengaat?
De zeven voegwoorden
| Voegwoord | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| omdat | een reden | Ik kom niet, omdat ik ziek ben. |
| dat | wat iemand zegt, denkt of weet | Ik denk dat het gaat regenen. |
| als | een voorwaarde, of een tijd in het nu of later | Bel me als je thuis bent. |
| wanneer | een tijd, of een vraag naar een tijd | Weet jij wanneer de bus komt? |
| toen | één moment of periode in het verleden | Ik was blij toen ik slaagde. |
| terwijl | twee dingen tegelijk | Zij leest terwijl hij kookt. |
| hoewel | iets wat je niet verwacht | Hij gaat naar buiten, hoewel het regent. |
Want of omdat?
Allebei geven een reden. Ze betekenen hetzelfde. Allebei zijn ook goed Nederlands, op papier en in een gesprek. Het verschil zit alleen in de woordvolgorde.
Na want: werkwoord op plek 2
- Ik blijf thuis, want ik ben ziek.
- Wij kopen hem niet, want hij is te duur.
Na omdat: werkwoord achteraan
- Ik blijf thuis, omdat ik ziek ben.
- Wij kopen hem niet, omdat hij te duur is.
Als, wanneer of toen?
Alle drie kunnen in het Engels when zijn. Toch gebruik je ze niet op dezelfde manier. Kijk eerst naar de tijd: gaat het over het verleden of over nu en later?
| Voegwoord | Wanneer gebruik je het? | Voorbeeld |
|---|---|---|
| toen | Eén keer of één periode in het verleden. | Toen ik klein was, woonde ik in Utrecht. |
| als | Een voorwaarde: alleen dan gebeurt het. Of een tijd in het nu of later. | Als het regent, blijf ik thuis. Bel me als je thuis bent. |
| wanneer | Vaak hetzelfde als als. Wanneer klinkt iets formeler. | Bel me wanneer je thuis bent. |
| wanneer | Een vraag naar een tijd. Hier kan alleen wanneer. | Weet jij wanneer de winkel opengaat? |
De bijzin vooraan
Je kunt een zin ook met de bijzin beginnen. Na de komma komt dan eerst het werkwoord van de hoofdzin. Zo staan er twee werkwoorden naast elkaar, met een komma ertussen.
- Als het regent, blijf ik thuis.
- Omdat ik ziek ben, kom ik niet.
- Toen ik klein was, woonde ik in Utrecht.