Met die en dat maak je van twee korte zinnen één zin. Neem: Ik ken een man. Hij woont in Utrecht. Dat wordt: Ik ken een man die in Utrecht woont.
Die en dat heten hier een betrekkelijk voornaamwoord. Zo een woord wijst terug naar een woord ervoor. In het voorbeeld wijst die terug naar de man. Het deel erna vertelt meer over die man.
Die of dat: kijk naar het lidwoord
Kijk naar het woord waar die of dat naar terugwijst. Is dat een het-woord in het enkelvoud? Dan gebruik je dat. In alle andere gevallen gebruik je die.
| Woord ervoor | Kies | Voorbeeld |
|---|---|---|
| een de-woord | die | De fiets die voor de winkel staat, is gestolen. |
| een het-woord | dat | Het huis dat we kopen, is oud. |
| meervoud | die | De kinderen die buiten spelen, zijn van de buren. |
| meervoud van een het-woord | die | De huizen die hier staan, zijn nieuw. |
Het werkwoord gaat naar het einde
Het deel na die of dat is een bijzin. In een bijzin staat het werkwoord achteraan. Zijn er twee werkwoorden? Dan staan ze allebei achteraan.
Goed
- de man die naast ons woont
- het boek dat ik gisteren heb gelezen
Fout
- de man die woont naast ons
- het boek dat ik heb gelezen gisteren
Wanneer gebruik je wat?
Soms is er geen woord met de of het om naar terug te wijzen. Dan gebruik je wat. Dat gebeurt vooral in drie gevallen.
| Na | Voorbeeld |
|---|---|
| alles, iets, niets, veel | Alles wat hij zegt, is waar. |
| het mooiste, het beste, het enige | Het enige wat ik wil, is rust. |
| een hele zin | Hij kwam te laat, wat ik vervelend vond. |
In het laatste voorbeeld wijst wat niet naar één woord. Het wijst naar de hele zin ervoor: hij kwam te laat.
Na een voorzetsel: met wie of waarmee?
Een voorzetsel is een klein woord als met, voor, op, in of over. Staat er een voorzetsel voor de lege plek? Dan kies je niet tussen die en dat. Je kijkt of het om een persoon of een ding gaat.
Persoon: voorzetsel + wie
- De vrouw met wie ik praat.
- De man voor wie ik werk.
- De buren bij wie we eten.
Ding: waar + voorzetsel
- De stoel waarop ik zit.
- Het mes waarmee ik snijd.
- De tas waarin mijn boeken zitten.
Gaat het om een plek? Dan kan ook gewoon waar: de stad waar ik woon.