Naar de inhoud

Grammatica · B1

Die of dat? De man die daar staat.

Gebruik dat bij een het-woord in het enkelvoud: het huis dat ik koop. In alle andere gevallen gebruik je die: de man die daar staat. Na alles, iets en niets gebruik je wat. Na een voorzetsel zeg je met wie bij een persoon en waarmee bij een ding.

7 minuten lezenNaar de 20 vragen

Met die en dat maak je van twee korte zinnen één zin. Neem: Ik ken een man. Hij woont in Utrecht. Dat wordt: Ik ken een man die in Utrecht woont.

Die en dat heten hier een betrekkelijk voornaamwoord. Zo een woord wijst terug naar een woord ervoor. In het voorbeeld wijst die terug naar de man. Het deel erna vertelt meer over die man.

Die of dat: kijk naar het lidwoord

Kijk naar het woord waar die of dat naar terugwijst. Is dat een het-woord in het enkelvoud? Dan gebruik je dat. In alle andere gevallen gebruik je die.

Woord ervoorKiesVoorbeeld
een de-woorddieDe fiets die voor de winkel staat, is gestolen.
een het-woorddatHet huis dat we kopen, is oud.
meervouddieDe kinderen die buiten spelen, zijn van de buren.
meervoud van een het-woorddieDe huizen die hier staan, zijn nieuw.

Het werkwoord gaat naar het einde

Het deel na die of dat is een bijzin. In een bijzin staat het werkwoord achteraan. Zijn er twee werkwoorden? Dan staan ze allebei achteraan.

Goed

  • de man die naast ons woont
  • het boek dat ik gisteren heb gelezen

Fout

  • de man die woont naast ons
  • het boek dat ik heb gelezen gisteren

Wanneer gebruik je wat?

Soms is er geen woord met de of het om naar terug te wijzen. Dan gebruik je wat. Dat gebeurt vooral in drie gevallen.

NaVoorbeeld
alles, iets, niets, veelAlles wat hij zegt, is waar.
het mooiste, het beste, het enigeHet enige wat ik wil, is rust.
een hele zinHij kwam te laat, wat ik vervelend vond.

In het laatste voorbeeld wijst wat niet naar één woord. Het wijst naar de hele zin ervoor: hij kwam te laat.

Na een voorzetsel: met wie of waarmee?

Een voorzetsel is een klein woord als met, voor, op, in of over. Staat er een voorzetsel voor de lege plek? Dan kies je niet tussen die en dat. Je kijkt of het om een persoon of een ding gaat.

Persoon: voorzetsel + wie

  • De vrouw met wie ik praat.
  • De man voor wie ik werk.
  • De buren bij wie we eten.

Ding: waar + voorzetsel

  • De stoel waarop ik zit.
  • Het mes waarmee ik snijd.
  • De tas waarin mijn boeken zitten.

Gaat het om een plek? Dan kan ook gewoon waar: de stad waar ik woon.

Oefen: die, dat, wat of wie?

20 zinnen. Kies het woord dat op de lege plek hoort: die, dat, wat, of een vorm met wie of waar. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Kies het goede woord.

  1. 1.

    Er is niets ... me nog kan verbazen.

    wat · die · wie

  2. 2.

    Het schilderij ... daar hangt, is heel beroemd.

    wat · die · dat

  3. 3.

    De bloemen ... ik kreeg, ruiken heerlijk.

    die · dat · wat

  4. 4.

    Alles ... hij aanraakt, gaat kapot.

    wat · die · dat

  5. 5.

    Het mooiste ... ze ooit kreeg, was een brief.

    wat · wie · die

  6. 6.

    De tas ... ik mijn boeken bewaar, is gescheurd.

    in wie · waarop · waarin

  7. 7.

    De krant ... op de mat lag, was nat.

    dat · wat · die

  8. 8.

    De fiets ... voor de winkel staat, is gestolen.

    wat · die · dat

  9. 9.

    Het verhaal ... hij vertelde, was niet waar.

    die · wat · dat

  10. 10.

    De man voor ... ik werk, is bijna met pensioen.

    wie · waarvoor · die

  11. 11.

    Het gereedschap ... ik werk, is van mijn vader.

    met wie · waarop · waarmee

  12. 12.

    Ze zweeg de hele tijd, ... me zorgen baarde.

    dat · wat · die

  13. 13.

    Het pakje ... ik verwachtte, kwam niet aan.

    dat · wat · die

  14. 14.

    De vrouw met ... ik in de trein zat, was journalist.

    die · waarmee · wie

  15. 15.

    De buurman bij ... ik aanbelde, was niet thuis.

    die · waarbij · wie

  16. 16.

    De bank ... we zaten, was nog nat van de regen.

    op wie · waarmee · waarop

  17. 17.

    De mensen met ... ik op cursus zit, komen uit Syrië.

    wie · waarmee · die

  18. 18.

    De studenten ... slaagden, kregen een feest.

    wat · die · dat

  19. 19.

    Het idee ... jij had, was briljant.

    wat · dat · die

  20. 20.

    Het onderwerp ... we spraken, was lastig.

    waarover · waarmee · over wie

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over die of dat

Wanneer gebruik je die en wanneer dat?

Dat gebruik je bij een het-woord in het enkelvoud: het boek dat ik lees. Die gebruik je bij een de-woord en bij elk meervoud: de boeken die ik lees.

Is het het meisje die of het meisje dat?

Het meisje dat. Meisje is een verkleinwoord. Verkleinwoorden zijn altijd het-woorden, ook als het om een persoon gaat. Daarom gebruik je dat.

Wat is een betrekkelijk voornaamwoord?

Dat is een woord dat terugwijst naar een woord ervoor. Zo maak je twee zinnen tot één: Ik ken een man die in Utrecht woont. De bekendste zijn die, dat, wat en wie.

Is het alles wat of alles dat?

Alles wat. Na alles gebruik je altijd wat: alles wat hij zegt, is waar. Na iets en niets is wat ook de beste keuze.

Zeg je met wie of waarmee?

Bij een persoon zeg je met wie: de vrouw met wie ik praat. Bij een ding zeg je waarmee: het mes waarmee ik snijd.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.