Naar de inhoud

Grammatica · B1

De voltooid verleden tijd: ik had al gegeten.

De voltooid verleden tijd maak je met had of was plus een voltooid deelwoord: ik had gegeten, ik was gegaan. Je gebruikt hem voor iets wat al klaar was vóór een ander moment in het verleden. Toen ik thuiskwam, had hij al gekookt.

6 minuten lezenNaar de 20 vragen

Soms vertel je over twee dingen in het verleden. Het ene gebeurde eerder dan het andere. Voor wat het eerst gebeurde, gebruik je de voltooid verleden tijd. Een andere naam is het plusquamperfectum. Toen ik op het station kwam, was de trein al vertrokken. Eerst vertrok de trein. Daarna kwam ik.

Drie vormen voor het verleden

Op A2 leer je twee vormen voor het verleden: de verleden tijd en de voltooide tijd. De voltooid verleden tijd is de derde. Hij gaat nog een stap verder terug.

VormVoorbeeldWat zegt het?
Verleden tijdik werkte, ik gingiets in het verleden
Voltooide tijdik heb gewerkt, ik ben gegaaniets wat klaar is
Voltooid verleden tijdik had gewerkt, ik was gegaaniets wat al klaar was vóór een ander moment in het verleden

Alleen het hulpwerkwoord verandert

Neem de voltooide tijd. Zet het hulpwerkwoord in de verleden tijd. Heeft of hebben wordt had of hadden. Is of zijn wordt was of waren. Het voltooid deelwoord blijft hetzelfde. Het staat nog steeds achteraan.

Voltooide tijdVoltooid verleden tijd
Ik heb gewerkt.Ik had gewerkt.
Zij heeft gebeld.Zij had gebeld.
Wij hebben gegeten.Wij hadden gegeten.
Hij is vertrokken.Hij was vertrokken.
Zij zijn aangekomen.Zij waren aangekomen.
Had en was per onderwerp
OnderwerpMet hebbenMet zijn
ik, jij, u, hij, zijhadwas
wij, jullie, zijhaddenwaren

Wat gebeurde er eerst?

Dit is het belangrijkste deel van de regel. Bij twee dingen in het verleden krijgt wat eerst gebeurde de voltooid verleden tijd. Wat daarna kwam, staat meestal in de gewone verleden tijd. Woorden als toen, nadat, voordat en al laten zien wat eerst kwam.

Eerst (voltooid verleden tijd)Daarna (verleden tijd)
De trein was al vertrokken,toen ik aankwam.
Hij had zijn huiswerk gemaakt,voordat hij ging voetballen.
Nadat zij had gegeten,deed zij de afwas.

De woordvolgorde

De woordvolgorde is dezelfde als bij de voltooide tijd. Er is niets nieuws.

  • Het voltooid deelwoord staat achteraan: Ik had het al gedaan.
  • In een gewone zin staat had of was op plek 2: Gisteren had ik het al gedaan.
  • In een bijzin, bijvoorbeeld na omdat of dat, staan beide werkwoorden achteraan: ... omdat ik het al had gedaan.

Oefen: de voltooid verleden tijd

20 zinnen over twee dingen in het verleden. Kies het goede hulpwerkwoord of de goede vorm. Na elk antwoord zie je meteen waarom.

Kies wat er op de lege plek hoort.

  1. 1.

    Toen ik op het vliegveld aankwam, hoorde ik dat het vliegtuig al ....

    was gevlogen · vliegt · vloog · is gevlogen

  2. 2.

    Toen ik die middag belde, hoorde ik dat hij al de hele dag ....

    is thuisgebleven · was thuisgebleven · blijft thuis · bleef thuis

  3. 3.

    Nadat de dief de tas ..., rende hij snel de straat uit.

    heeft gepakt · pakt · pakte · had gepakt

  4. 4.

    Toen de uitslag binnenkwam, bleek dat hij voor het examen ....

    is gezakt · zakt · was gezakt · zakte

  5. 5.

    De leerlingen ... de opdracht al ingeleverd toen de bel ging.

    waren · hebben · had · hadden

  6. 6.

    Toen ik de koelkast opende, merkte ik dat de melk al zuur ....

    wordt · was geworden · werd · is geworden

  7. 7.

    Ik ... de kaarsjes al aangestoken toen de jarige binnenkwam.

    had · heb · was · heeft

  8. 8.

    Hij ... het contract al ondertekend voordat hij de details las.

    had · hadden · was · heeft

  9. 9.

    De kachel ... al uitgegaan toen we wakker werden, en het was koud.

    was · waren · is · had

  10. 10.

    Toen we bij het eiland aankwamen, bleek dat de laatste boot al ....

    vertrok · was vertrokken · vertrekt · is vertrokken

  11. 11.

    Toen we erover praatten, bleek dat ik die film al ....

    heeft gezien · zie · zag · had gezien

  12. 12.

    Toen we bij het restaurant aankwamen, was er een tafel vrij omdat ik ....

    heeft gereserveerd · had gereserveerd · reserveerde · reserveert

  13. 13.

    De toeschouwers ... al naar huis gegaan toen de prijsuitreiking begon.

    zijn · hadden · waren · was

  14. 14.

    Nadat hij het huurcontract ..., kreeg hij de sleutels van het huis.

    ondertekent · heeft ondertekend · ondertekende · had ondertekend

  15. 15.

    Nadat zij het avondeten ..., ruimde zij rustig de keuken op.

    kookte · had gekookt · kookt · heeft gekookt

  16. 16.

    De zieke man ... al hersteld toen de dokter weer langskwam.

    is · waren · was · had

  17. 17.

    Voordat de baas iets vroeg, was ik gerust omdat ik de presentatie al ....

    heb voorbereid · bereidde voor · bereid voor · had voorbereid

  18. 18.

    Nadat de schrijver zijn roman ..., nam hij een lange vakantie.

    maakt af · heeft afgemaakt · had afgemaakt · maakte af

  19. 19.

    Toen de brandweer arriveerde, bleek dat de brand in de keuken ....

    was ontstaan · ontstaat · ontstond · is ontstaan

  20. 20.

    Toen de docent de toetsen teruggaf, zag ik dat ik één fout ....

    heeft gemaakt · maakte · had gemaakt · maakt

De antwoorden en de uitleg zie je als je de vragen maakt.

Vragen over de voltooid verleden tijd

Wat is de voltooid verleden tijd?

Een vorm voor iets wat al klaar was vóór een ander moment in het verleden. Je maakt hem met had of was plus een voltooid deelwoord: ik had gegeten, hij was vertrokken.

Wat is het plusquamperfectum?

Dat is een andere naam voor de voltooid verleden tijd. Het woord komt uit het Latijn. Je ziet het soms in lesboeken. Het gaat om dezelfde vorm: had of was plus een voltooid deelwoord.

Wat is het verschil met de voltooide tijd?

De voltooide tijd maak je met heeft of is: ik heb gegeten. De voltooid verleden tijd maak je met had of was: ik had gegeten. Die gebruik je als iets al klaar was vóór een ander moment in het verleden.

Wanneer gebruik je had en wanneer was?

Net als bij de voltooide tijd. Ga je naar een plek of verandert er iets? Dan gebruik je was: ik was naar huis gegaan. Bij de meeste andere werkwoorden gebruik je had: ik had gewerkt.

Inburgerings
cursus.nl

Meer oefenen met Inburgeringscursus.nl

Deze uitleg en vragen zijn van de makers van Inburgeringscursus.nl, een online cursus voor het inburgeringsexamen. Wil je meer oefenen dan hier kan? Dan is de cursus de volgende stap.

  • Per regel honderden oefenvragen, in rondes.
  • Je ziet welke regels je nog lastig vindt.
  • Ook alle oefenexamens, met feedback op schrijven en spreken.

De cursus is betaald. De grammatica op deze site blijft gratis.

Bekijk de cursus

Inburgeringsexamen.nl is de gratis gids van Inburgeringscursus.nl.