Soms vertel je over twee dingen in het verleden. Het ene gebeurde eerder dan het andere. Voor wat het eerst gebeurde, gebruik je de voltooid verleden tijd. Een andere naam is het plusquamperfectum. Toen ik op het station kwam, was de trein al vertrokken. Eerst vertrok de trein. Daarna kwam ik.
Drie vormen voor het verleden
Op A2 leer je twee vormen voor het verleden: de verleden tijd en de voltooide tijd. De voltooid verleden tijd is de derde. Hij gaat nog een stap verder terug.
| Vorm | Voorbeeld | Wat zegt het? |
|---|---|---|
| Verleden tijd | ik werkte, ik ging | iets in het verleden |
| Voltooide tijd | ik heb gewerkt, ik ben gegaan | iets wat klaar is |
| Voltooid verleden tijd | ik had gewerkt, ik was gegaan | iets wat al klaar was vóór een ander moment in het verleden |
Alleen het hulpwerkwoord verandert
Neem de voltooide tijd. Zet het hulpwerkwoord in de verleden tijd. Heeft of hebben wordt had of hadden. Is of zijn wordt was of waren. Het voltooid deelwoord blijft hetzelfde. Het staat nog steeds achteraan.
| Voltooide tijd | Voltooid verleden tijd |
|---|---|
| Ik heb gewerkt. | Ik had gewerkt. |
| Zij heeft gebeld. | Zij had gebeld. |
| Wij hebben gegeten. | Wij hadden gegeten. |
| Hij is vertrokken. | Hij was vertrokken. |
| Zij zijn aangekomen. | Zij waren aangekomen. |
| Onderwerp | Met hebben | Met zijn |
|---|---|---|
| ik, jij, u, hij, zij | had | was |
| wij, jullie, zij | hadden | waren |
Wat gebeurde er eerst?
Dit is het belangrijkste deel van de regel. Bij twee dingen in het verleden krijgt wat eerst gebeurde de voltooid verleden tijd. Wat daarna kwam, staat meestal in de gewone verleden tijd. Woorden als toen, nadat, voordat en al laten zien wat eerst kwam.
| Eerst (voltooid verleden tijd) | Daarna (verleden tijd) |
|---|---|
| De trein was al vertrokken, | toen ik aankwam. |
| Hij had zijn huiswerk gemaakt, | voordat hij ging voetballen. |
| Nadat zij had gegeten, | deed zij de afwas. |
De woordvolgorde
De woordvolgorde is dezelfde als bij de voltooide tijd. Er is niets nieuws.
- Het voltooid deelwoord staat achteraan: Ik had het al gedaan.
- In een gewone zin staat had of was op plek 2: Gisteren had ik het al gedaan.
- In een bijzin, bijvoorbeeld na omdat of dat, staan beide werkwoorden achteraan: ... omdat ik het al had gedaan.