Met indirecte rede vertel je wat iemand zegt of vraagt. Je gebruikt dan geen aanhalingstekens. De woorden van de ander worden een deel van jouw zin.
| Wat iemand zegt | Indirecte rede |
|---|---|
| Hij zegt: "Ik ben moe." | Hij zegt dat hij moe is. |
| Ze vraagt: "Kom je morgen?" | Ze vraagt of ik morgen kom. |
| Hij vraagt: "Waar woon je?" | Hij vraagt waar ik woon. |
Een vraag in zo een zin heet een indirecte vraag. Je vertelt wat iemand vraagt. Of je zegt wat je zelf wilt weten: Weet u hoe laat het is?
Dat, of of een vraagwoord?
Het eerste woord van het deel hangt af van wat er gezegd wordt. Is het een mededeling? Dat is een zin die iets vertelt. Of is het een vraag?
| Wat is het? | Woord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| een mededeling | dat | De conducteur zegt dat de trein vertraging heeft. |
| een vraag met ja of nee | of | Hij vraagt of ik het raam open mag zetten. |
| een vraag met een vraagwoord | het vraagwoord | Ik weet niet waar de uitgang is. |
Een vraagwoord is een woord als waar, wanneer of hoe. Kies het vraagwoord dat past bij wat je wilt weten.
| Vraagwoord | Vraagt naar | Voorbeeld |
|---|---|---|
| waar | een plek | Hij wil weten waar de apotheek is. |
| wanneer | een tijd | Ze vraagt wanneer de bus komt. |
| hoe laat | een tijd op de klok | Weet u hoe laat het is? |
| hoe | een manier | Kunt u uitleggen hoe dit werkt? |
| waarom | een reden | Ik begrijp niet waarom de les niet doorgaat. |
| wie | een persoon | Hij vraagt wie de nieuwe buren zijn. |
| wat | een ding of iets wat je doet | De docent vraagt wat we hebben gedaan. |
| welke / welk | een keuze | Ik weet niet welke bus naar het centrum gaat. |
| hoeveel | een aantal of een bedrag | Ze vraagt hoeveel het kost. |
Het werkwoord gaat naar het einde
De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert bij ik, jij of hij. In een gewone vraag staat die vooraan: Waar woont hij? In een indirecte vraag gaat de persoonsvorm naar het einde: Ik weet niet waar hij woont.
| Gewone vraag | Indirecte vraag |
|---|---|
| Waar is de uitgang? | Ik weet niet waar de uitgang is. |
| Gaat zij vanavond mee? | Hij vraagt of zij vanavond meegaat. |
| Waarom heeft hij niets gezegd? | Ik vraag me af waarom hij niets heeft gezegd. |
Zijn er twee werkwoorden? Dan staan ze allebei achteraan: of ik al heb betaald. Je mag ze ook omdraaien: of ik al betaald heb. Een scheidbaar werkwoord is achteraan weer één woord: of zij meegaat.
Ik en jij veranderen mee
Vertel je wat iemand anders zei? Dan veranderen woorden als ik, jij en mijn vaak. Denk na over wie de spreker bedoelt.
- Sara zegt: "Ik ben ziek." → Sara zegt dat zij ziek is.
- Mijn buurman vraagt: "Heb jij mijn kat gezien?" → Hij vraagt of ik zijn kat heb gezien.