Skip to content

Dutch vocabulary · A2

Dutch numbers and amounts.

You need numbers every day: for a price, an address or an appointment. Here you learn the numbers from zero to twenty. You also learn words like de kilo, ongeveer and genoeg.

Practise with flashcards

You see a Dutch word. Do you know what it means? Turn the card over and check. Then choose: I know it, or not yet.

Card 1 of 370

All the words in this theme

Always learn a noun together with de or het. You need it to make correct sentences.

  1. nulzero

    Het is nul graden.

  2. éénone

    Ik heb één kind.

  3. tweetwo

    Twee biertjes, alstublieft.

  4. driethree

    Ik heb drie broers.

  5. vierfour

    Het is vier uur.

  6. vijffive

    Ik heb vijf euro.

  7. zessix

    Er zijn zes stoelen.

  8. zevenseven

    Zeven dagen per week.

  9. achteight

    Ik werk acht uur.

  10. negennine

    Het is negen uur.

  11. tienten

    Ik heb tien euro.

  12. elfeleven

    Elf spelers op het veld.

  13. twaalftwelve

    Een dag heeft twaalf uur licht.

  14. dertienthirteen

    Het is dertien graden.

  15. veertienfourteen

    Hij is veertien jaar oud.

  16. vijftienfifteen

    De pauze duurt vijftien minuten.

  17. zestiensixteen

    Zestien is een mooie leeftijd.

  18. zeventienseventeen

    Het kost zeventien euro.

  19. achttieneighteen

    Vanaf achttien ben je volwassen.

  20. negentiennineteen

    Het is negentien over drie.

  21. twintigtwenty

    Ik ben twintig jaar oud.

  22. de eurothe euro

    De jas kost veertig euro.

  23. de centthe cent

    Het brood kost twee euro en vijftig cent.

  24. de kilothe kilo

    Ik wil graag een kilo appels.

  25. ongeveerapproximately

    De boodschappen kosten ongeveer dertig euro.

  26. het paarthe pair, couple

    Ik koop een paar nieuwe schoenen.

  27. tweedesecond

    Mijn kantoor is op de tweede verdieping.

  28. derdethird

    Dit is de derde keer dat ik bel.

  29. vierdefourth

    Wij wonen op de vierde etage.

  30. minimaalat least, minimal

    Je moet minimaal achttien jaar oud zijn.

  31. maximaalat most, maximal

    Je mag maximaal twee koffers meenemen.

  32. alleseverything

    Ik heb alles gekocht.

  33. nietsnothing

    Ik weet niets over dat plan.

  34. weinigfew / little

    Ik heb weinig tijd.

  35. genoegenough

    Ik heb genoeg gegeten.

  36. te veeltoo much

    Ik heb te veel gedronken.

  37. beideboth

    Beide boeken zijn interessant.

How to build bigger numbers

After twenty, Dutch says the small number first and then the tens. The word en goes in between. So 21 is eenentwintig: one and twenty.

A number is written as one word. When two vowels meet, as in tweeëntwintig, the e gets two dots.

eenentwintig
21
tweeëntwintig
22
dertig
30
veertig
40
vijftig
50
zestig
60
zeventig
70
tachtig
80
negentig
90
honderd
100
honderdvijf
105
duizend
1,000
tweeduizendzesentwintig
2026
Inburgerings
cursus.nl

Learn more words with Inburgeringscursus.nl

These words come from the word trainer in Inburgeringscursus.nl, an online course for the inburgering exam. On this site you practise one theme at a time. In the course you practise every word, from A2 to B2.

  • Over 3,000 words, with audio for every word and sentence.
  • Every word comes back at the moment you are about to forget it.
  • You see which words you still find hard.

The course is paid. The word lists on this site stay free.

See the course

Inburgeringsexamen.nl is the free guide of Inburgeringscursus.nl.